Ze zag een veld vol felle rozen, En in het midden rees het licht Van zijn verschriklijk schoon gezicht, Dat, streng, haar bleekheid dwong te blozen. Zij was een dunne glazen kelk, Die tintelde in vuur van kozen. Haar wangen
Tag: gedicht aanwezig
Frieslands vlakten
Ach God, wat zijn uw groote vlakten schoon, Met ’t zeilen van de vogels, en het schuimen Der schepen door de spiegelende ruimen Der plassen; waar de schuchtere anemoon Des voorjaars in de luwte waagt te ontluiken, Het woekeren van
Jan Mankes
Voor Mevrouw dr. A. Mankes-Zernike Hij zag niet meer den donkren vorm der dingen, Maar t lichten dat zij met hun hoes omvingen, En schilderde het laaien van den brand Die koortsig klopte in zijn nerveuze hand En òpvlamde ergens
Het jongetje
Een kind, dat naar de goede dingen tast, En met hen spreekt, alsof zij levend waren, En zóó verwonderd naar hun glans kan staren, Alsof hun zoete glimlach hem verrast, En merkt niet, dat er in zijn oogen wast Een
Voor Okke
Als gij voor ’t orgel hoog gezeten zijt En zwaar het heilig Gloria doet hooren Of ’t lied van ’t Kindeken, dat, nieuw geboren, Om onze ondeugden zuivre tranen schreidt, En zingt: ‘ziet, wat de liefde doet’, benijdt Gij mij
In oude tijden
In oude tijden zong men zijn verlangen In zoelen nacht voor liefste’s raam of deur En met den weemoed van de rozengeur Rees de melancholie der minnezangen. Een stem snikte bij ’t lokken van de luit, Wat alle minnaars eindeloos
Job
De dag verga, waarin ik werd geboren, Der donderbuien dikke duisternis Trekke zich samen waar zijn luister is, Hij zij verschriklijker als geen te voren. Was t mij bij de eerste oogopslag beschoren Te sterven…, waar zelfs geen gefluister is
Mijn handen lagen op uw zachte haren
Mijn handen lagen op uw zachte haren, Als op het rad de zaalge martelaren, Zoo smartelijk en glanzende verbleekt, En rustig of zij reeds gestorven waren.
Of ‘k wakker aan Uw ijzren greep ontkom
Of ‘k wakker aan Uw ij zren greep ontkom, Gij weet wel, dat ‘k voor U in droomen krom. Wat mij des daags door U wordt kwijtgescholden. Betaal ik ’s nachts met woekers hoogen som.
Bewaar mij voor den waanzin van het recht
Bewaar mij voor de waanzin van het recht, De sluwe waarheid van de letterknecht. Hij is de wilde haver op de akker, Van buiten glanzend en van binnen slecht.