Jan Mankes

Voor Mevrouw dr. A. Mankes-Zernike Hij zag niet meer den donkren vorm der dingen, Maar ‘t lichten dat zij met hun hoes omvingen, En schilderde het laaien van den brand Die koortsig klopte in zijn nerveuze hand En òpvlamde ergens

Voor Okke

Als gij voor ’t orgel hoog gezeten zijt En zwaar het heilig Gloria doet hooren Of ’t lied van ’t Kindeken, dat, nieuw geboren, Om onze ondeugden zuivre tranen schreidt, En zingt: ‘ziet, wat de liefde doet’, benijdt Gij mij

Job

De dag verga, waarin ik werd geboren, Der donderbuien dikke duisternis Trekke zich samen waar zijn luister is, Hij zij verschriklijker als geen te voren. Was ‘t mij bij de eerste oogopslag beschoren Te sterven…, waar zelfs geen gefluister is