De visscher

O wemelende moederschoot, Vruchtwater, waarin God besloot In den beginne al wat sliep En wakker werd toen Hij het riep; O zware zwalpende oceaan, Omwentlend worden en vergaan, Muil waar de wereld aan ontglipt En telkens weer in binnen slipt.

De spin

O kunstenaar, die onbekommerd Uw wezen aan de wereld toont, Waar zonneluwte heerscht of ’t lommert, In zelfgeschapen woning woont; Ze is Iuchtig, los, de winden waalen Er scheerlings langs en dwars door heen. Gij Iaat haar liederlijk doorlaalen Van

Gezonken

Men vindt het logboek en men volgt het spoor.Maar waardeloos werd wat is opgeteekend,Want hoe men lengte en breedte overrekent,Het klopt nauwkeurig, maar ’t schip ging teloor. Men leest: hier hielden wij een lange rust.En ’t werd zoo; in een