Hij is van boerelijke bloede. Zijn vorm, zijn inhoud en gewicht Verscheen reeds menigmaal in t licht, Want reeds voor eeuwen ging zijn vroede Geslacht dezelfde landstreek rond En schatte peerden en percelen, Het zwoegend grauw, t graan op de
Auteur: Helma
De rooker
Een kleine schemerlamp is aangestoken. Een boek ligt open, en een cigaret Is als een smalle witte knop ontloken. De dunne rook, half grijs, half violet, Is, rijk gekruld als op chineesche prenten ’t Bevende bleeke van lang gestengeld riet,
De zangeres
De kleine gitten speld in haar coiffure, Die zeer eenvoudig is en zeer correct, Maakt dat haar witte hoofd sensatie wekt, Veel meer dan kostbaar vonkende parures. Haar spinragdunne shawl van zwarkte kant Schaduwt Chineesche bloemen langs de muren Als
De gastvrouw
Zij is zeer rijzig in haar lange Avondjapon van witte zijde. In haar aschmatte haren vangen Drie edelsteenenrozen wijde Lichtgolven op als flakkerschijn, En kaatsen dan glansparelmoeren Licht langs de grijze parelsnoeren Die rond haar hals en armen zijn. Een
De ziekenzuster
Zij heeft de nachtwaak bij het bedDer vreemdelinge, die gaat sterven.En zij aanvaardt de plicht tot ervenVan angst en pijn en dood; ’t gebed,Dat zij eerst prevelt, en dan plechtigals miserere en credo zingt,Wordt zoo grootmachtig, dat ’t aemechtigHoofd rustig
De honderdjarige
Haar tijd is dood; en zij werd dor en vaal, Een grove rariteit, ten halve heilig En heelemaal een lastpost, nergens veilig En overal; een oppas in de zaal Van ’t besjeshuis; en in de drukke straat Tusschen twee krukken
De vermoeide tot zijn bibliotheek
Havens van schoonheid, woonplaatsen der wijzen, Eenzame baaien, steden dichtbevolkt, Zonnewoestijnen, poolland zwaar onbewolkt, Hoogvlakte en diepzee, doel van jeugd en grijzen, Heelal door mensenhand moeizaam gemaakt, Chaos, geordend en tezaam gebonden, Naar wetten, overtreden en geschonden, Geheel en deel
De erflater
‘k Bèn niet zoo machtIoos als gij meent. Wat ik eens bezat blijft ’t mijne. Alle boeken in de schrijnen Weten weI, dat gij hen Ieent. Heeft mijn pen, die gij gebruikt. Niet dwaas langs ’t papier gehuppeld, Dubbel schrift
De onderworpene
Men had het mij zoo vaak voorspeld: Ik zou niet bukken voor geweld, Maar roekeloos en onbezonnen Door llefde zwak zijn en verwonnen. Ik ging mijn gang, ik deed mijn werk, Ik sloeg mijn slag, en ik werd sterk. Door
Vergevende liefde
Gedankt moet zijn voor veel vergeven, Want dikwijls overtreden wij, En doen of wij nog los en blij Beschikken over eigen leven. Wij voelen tijdens ’t zondigen niet Wat wij verscheuren en ontstelen: Vreugd die we elkander toebedeelden, Het hoogst