Men Iegde over twee kalkvaten een plank En heesch den Iuiden boetgezant daarop. In zijn vierkanten wortelhouten kop Waren zijn oogen stralend blauw maar krank. Hij overzag streng de toevallige schaar: Straatjongens, werkeloozen, en wat vrouwen Met kinderen, die op
Auteur: Helma
De uitvreter
Werther is weder uit den dood verrezen. Zijn onrustoogen staan meIanchollek. Een collectant voor weduwen en weezen Benijdt zijn stem en oogen vol tragiek. Wee het gezin, waarin hij zal genezen Van levensmoeheid, onbegrepen zijn. NeedrigbrutaaI, weet hij zich te
Olympisch
Komt hij nabij uit ’t heidensch verIeclen, VoIkslievellng en keizerskampioen, Getooid en geteekend met het blazoen Der jonge Iachende doodsgereeden? Deze fiere Fries met het goudgeel haar, Felle sperwerkop met smalle wangen, Armen als buigzame stalen stangen Heeft dood tot
De nieuwe ster
Met ongeduld en blind verlangen Heeft men haar Iate komst verwacht. Een nieuwe ster beheerscht den nacht En blijft boven ons halfrond hangen. En regelmatig elken dag Verschijnt zij en de telescopen Staan voor het jonge wonder open; En reeds
De godsman
Niet, dat hij hen genas, maar Ieerde dulden Het euvel waarmee God hun vIeesch bezocht, Dat zijn gebed hun opstand overmocht. En ’s Heeren vreê hun bange ziel vervulde; Dat zij na sIapeIoozen nacht, den dag Doorstroomd van zaligheid en
De valsche getuige
Zijn woord getuigt van anderer bekeering. Hij rookt geen sigaret, maar drinkt wel wijn. Zijn onsoliede ziel is een legeering Van waarheid, weelde, strenge ascese en schijn. Hij vindt in ieder godsdlenst iets ter Ieering Maar wil ’t liefst in
Afgezette koning
Ik heb mijn rijk nog nooit zoo goed gekend Dan nu ‘k als burger door het land kan reizen En niet hoef kiezen wat de heeren prijzen, Ieder bezoeken mag, daar geen mij zendt. Ik zie de schande en ik
De Duitsche Herder
Hij Ioopt door ’t huis en opent alle deuren, Bekommert zich niet veel om mijn gezag, Komt heel nieuwsgierig de bezoekers keuren, En wee, wie hij niet zien of luchten mag. Hij wil vroeg spelen, maar de ontstelde gast. Weet
Huisbezoek
Wanneer de pastor in zijn preek Zegt: broeders, wij zijn allen zondigI Erkent men dit terstond volmondig En wordt van binnen even week. Maar wee hem, als hij ergens komt En op ’t geringst gebrek durft doelen. Dat kwetst ’t
De boerendochter
Zie, hoe zij met haar rokken zwaait, De breede handen staan naar grijpen. Reeds voor zij duidelijk gaat rijpen, Weet zij waarom de wereld draait. En daarom is zij zoo onhandig Met haar gebaren; en haar woord, Ofschoon haar frissche