Volksprecliker

Men Iegde over twee kalkvaten een plank En heesch den Iuiden boetgezant daarop. In zijn vierkanten wortelhouten kop Waren zijn oogen stralend blauw maar krank. Hij overzag streng de toevallige schaar: Straatjongens, werkeloozen, en wat vrouwen Met kinderen, die op

De uitvreter

Werther is weder uit den dood verrezen. Zijn onrustoogen staan meIanchollek. Een collectant voor weduwen en weezen Benijdt zijn stem en oogen vol tragiek. Wee het gezin, waarin hij zal genezen Van levensmoeheid, onbegrepen zijn. NeedrigbrutaaI, weet hij zich te

Olympisch

Komt hij nabij uit ’t heidensch verIeclen, VoIkslievellng en keizerskampioen, Getooid en geteekend met het blazoen Der jonge Iachende doodsgereeden? Deze fiere Fries met het goudgeel haar, Felle sperwerkop met smalle wangen, Armen als buigzame stalen stangen Heeft dood tot

De godsman

Niet, dat hij hen genas, maar Ieerde dulden Het euvel waarmee God hun vIeesch bezocht, Dat zijn gebed hun opstand overmocht. En ’s Heeren vreê hun bange ziel vervulde; Dat zij na sIapeIoozen nacht, den dag Doorstroomd van zaligheid en

Huisbezoek

Wanneer de pastor in zijn preek Zegt: broeders, wij zijn allen zondigI Erkent men dit terstond volmondig En wordt van binnen even week. Maar wee hem, als hij ergens komt En op ’t geringst gebrek durft doelen. Dat kwetst ’t