De gele rozen lichten langs t terras. In diepe stoelen liggen zij te rusten, De zaligen, die elkaar gelukkig kusten, De toekomstlozen; heel hun leven was Een dringen naar de voorgeweten uren, Waar alles eensklaps in vergeten is; t Verwaait
Auteur: Helma
Ook dit moet zijn
Ook dit moet zijn: het eerste schuw bewegen Der zielen en het rimpelen van ’t bloed, Totdat er eindelijk een zachte gloed In wangen en in oogen komt gestegen. GlimIach en Iach komen elkander tegen. Verschrokken heelt een hand een
Volwassen worden
Er komt een dag, waarin hij alles voelt Veranderen, zijn jeugd is weggeweken Hij reist alleen door onbekende streken En weet niet wat het vreemde volk bedoelt. En leert veel zwijgen, en hij wikt zijn woord En laat langdurig zijn
Oude dans
Kalm verdeinen de motieven Van den statig stillen dans. Gracieus gaan de gelieven Door den klaren avondglans. Na ’t adieu zweeft ieders ijver Naar een nieuw ontmoeten heen. Even, tusschen maan en vijver, Staan hun schaduwen alleen. Even … en
Romantiek
De wijn op tafel en het glas er naast. De gele rozen in het blauw verglaasd BIoemvaasje laten stil hun blaadjes zwieren Over de ganzenpen en de papieren. De jonge dichter met bruin golvend haar Staart droomrig door het open
Rococo
Haar witgeschoeide voetjes zijn zoo klein, Dat ze in een flinke mannenhand verdwijnen. Ze gllmIacht zoetjes, maar het is niet rein. Ze wil graag kinderlijk onschuldig schijnen. En daarom overschaduwt haar een fijn Gevlochten tuinhoed; zilverbIond verdwijnen Heur haren tusschen
Jeroen Bosch
Hij werd bezocht door duivelen en spoken. Afschuwlijker dan in de diepzee Ieeft Is het gebroed dat om hem zwemt en zweeft. Hij weet niet meer, dat hij met witte knoken Zich vastklemt, maar ziet de eigen adem ronken Van
Henri Quatre
Hij was de eerste jolige christen. Hij ging met zijn hof psalmzingend ter jacht, Had maling aan protestant en papisten, En was te arm voor een vorstlijke dracht. Hij droeg: een verkleurd buis en batisten Jabots, en Iaarzen met versleten
De geboorteheilige
Eerst toen hij dood was, en men hem vergat, Begon het wonder; kindren hoorden fluistren Boven zijn graf als het begon te duistren. En ’s morgens was het gras zoo groen en glad En bIoemdoorspikkeId of een lentedauw Met zon
Hadewych
Wie kan dit hongeren verdragen En blijven blijde en welgemoed? O Minne, uw goddelijke vlagen Zijn zaliger hoe meer gij woedt. Gaarne betaal ik alle dagen Met smart en smaad uw kostlijk zoet. Zij mogen ’t schelden ‘Huis der vreugden’