Nog rooken als beschreven in Uw boek, De altaren; Heer! men hangt ons tot een vloek In de eigen deur; handen en voeten spijkren Zij aan den wand en huisbelomrende eiken. De leden uitgerekt en stuk gebroken Heeft men ons
Auteur: Helma
Regenavond
In dezen nacht zal God ons zegenen. De hemelen zijn een wit vervloeien. Al het geschapene moet bloeien Want God laat leven nederregenen. Onze begeerten moeten wijken Voor dit almachtig stil genereeren. Het is de wil en wet des Heeren
Gesprek
Er was geen nood, er was geen zonde, Die ik niet aan u zeggen konde. En alle zorg en alle wee Verzonk in uwer liefde zee. Gij had geen woorden en gebaren, Het licht, dat fonkelde in uw haren, De
Belijdenis
Zij zeide: O bitterheid van God verwachten, Als ons verlangen en berouw, Niets bij ons vindt dan kwade trouw En zelfbeklaging en verachten; En nooit geen liefde en nieuwe hoop, En geen geloof en goede werken Voortbrengt; maar enkel koude
De noodhelper
Hij was onaanzienlijk als het koren, Een zwak gewas, van voedsel zwaar. Er langs gaand kon men ruischen hooren De krachtstroom van de Alzegenaar. Er was geen aarzeling, geen seconde Afwering als zijn wil hen brak, En, stalen sleepnet langs
De zalving
Hun oogen laaiden als een vlam, Toen zij de feestzaal binnenkwam. En, een geknakte roos, zoo teer, Zeeg aan de voeten van den Heer. Is dit de vroolijke vorstin, De meesteresse van de min, Die in een vuil verscheurd habijt
Klaagavond
Bestuifd staan de cypressen in den hof. De wachters zijn te loom hun lans te dragen. De luie duiven kirren niet, maar klagen, Amechtig sleept een pauw zich door het stof. De koning zit in zijn berooiden staat Te midden