De oude dame

Haar welke mantel was als een verschoten Roze karton; zij zelve was het boek, Het achttiende-eeuwsche; fijn gestoken groote Vignetten leken: op haar zijden doek, (De zeer eenvoudig langs haar borst geplooide) Een gitten broche, in glad gouden rand; En

De minnende

Ster, die Gods bevel vernaamt, Lampion in zijn omwingerd Lustprieel, die, weggeslingerd, Suizend tot mijn wachten kwaamt, En uw goudspoor door het duister Trekt, en u voor mij onthult, Tot uw fluitend roepen fluistren Wordt, die bij mij dooven zult,

Slapenden

Wanneer het lichaam slapend ligt, – O ziel, gij hebt het toegesloten, – Hoe wonderlijk is het gezicht Van de beminden en genooten. Is dit de vrouw, is dit de vriend, Wier bijzijn wij zooeven zochten, Prezen, of krenkten onverdiend?

De keizerin

Des morgens, soms wel urenlang, Speelt ze in het spoelend waterbad. Dan, met een balsemgeurig blad, Wrijft men haar zacht; een gouden tang Rukt vinnig haartjes uit de huid; De pijn wordt weggezalfd, men spuit Welriekende olie door heur haren