Haar welke mantel was als een verschoten Roze karton; zij zelve was het boek, Het achttiende-eeuwsche; fijn gestoken groote Vignetten leken: op haar zijden doek, (De zeer eenvoudig langs haar borst geplooide) Een gitten broche, in glad gouden rand; En
Auteur: Helma
De minnende
Ster, die Gods bevel vernaamt, Lampion in zijn omwingerd Lustprieel, die, weggeslingerd, Suizend tot mijn wachten kwaamt, En uw goudspoor door het duister Trekt, en u voor mij onthult, Tot uw fluitend roepen fluistren Wordt, die bij mij dooven zult,
Slapenden
Wanneer het lichaam slapend ligt, – O ziel, gij hebt het toegesloten, – Hoe wonderlijk is het gezicht Van de beminden en genooten. Is dit de vrouw, is dit de vriend, Wier bijzijn wij zooeven zochten, Prezen, of krenkten onverdiend?
De zeevaarder
’t Is wreed, dat wij voor hen die achterbleven Als dood zijn, maar soms droomen zij van ons: Zoo licht als zaadpluis tot hen neer te zweven En hen beroerend als een kiekendons, Zoo zacht … en zoo verschrikkend, dat
Telkens opnieuw
Hij zag niet, en hij overrekende Den afgrond niet, die denken scheidt van daad; Maar wist: tusschen twee steunpunten ontstaat Toenadering: een boog! en teekende. Over en door den inslag van de lijn Schoot bliksemvlammende zijn snelle geest, En sloeg
De dood in Venetië
Jer. 9:21a Wij hebben goed met hem gevaren. Achter en boven ons geleund, Heeft hij gezongen en gekreund, En scheen over ons weg te staren. Ons, laag gezonken in den zetel, Omving vervoerend zwart damast, En onze levens lagen vast
De pottenbakker
Hij vormde een kom, en hij verhoogde De ronde randen, en een buik Boog zich naar boven, en hij boogde Haar buigen in, en zag de kruik Slankhalzig en met edel welven Van lippen, en haar schoone mond Was lachende;
De vaandrig
Hij staat zoo rustig onder ’t veel omstreden Vaandel, dat met zijn zijden wuiven ’t gram Gemoed der manschap in vervoering nam En glanzend woei door vloeken en gebeden En werd onsterf lijk … ter victorie kwam Hij plotsling uit
De keizerin
Des morgens, soms wel urenlang, Speelt ze in het spoelend waterbad. Dan, met een balsemgeurig blad, Wrijft men haar zacht; een gouden tang Rukt vinnig haartjes uit de huid; De pijn wordt weggezalfd, men spuit Welriekende olie door heur haren
San Sebastiaan
Dit is uw schoonste jachtvermaak. De prooi moet op den jager wachten, En met zijn oog op de bonte schachten Volgen, en hopen dat hij raak. Nergens vond gij een beter wit, Dan dit tengere trillende lijf. Zij mikken speels