Najaar

Hoe zijt Gij tot mij gekomen Zoo gelukkig en zoo laat, Nu de zon de kale boonren Weerloos met zijn gloed doorslaat, En de landen overstroomen En hun leegte vullen gaat? Alle schaduw moest verdwijnen Voor Ik vol naar binnen

Na de bui

De bui was nog niet afgedreven, Toen wij bedroefd den tuin in gingen. Waar afgerukt de rozen dreven En hulploos in de struiken hingen. Haar zon doorlonkte bengelingen Woei de verzwikte goudenregen Ons als een wolk van vonken tegen En

Pinksteren

O Geest, toen Gij ternederkwaamt En voor hun oog gestalte naamt, Doorzonk de hemel ademloos Een stille witte vlammenhoos. Boven hun lichaams donkre zuil Verscheen een zacht bewogen tuil Van licht, en glinsterende gleed Het neder langs hun schamel kleed.

Hemelvaart

Licht huift om hen de blauwe kolk Des hemels, dien de Heer doortrekt. Toen heeft Hij troostend met een wolk Hun heimwee overdekt. En vlak nabij ontsprong een stem: (Gods bode is een fontein van licht) – Verkondig in Jeruzalem

Emmaus

Hun stemmen waren bits geweest Tegen den vreemden vreemdeling. Nu schreden zij met stiller geest Nevens hem door de schemering. Zij zaten in de schemering. En het gezegend avondbrood Ontviel de hand die het ontving. En Hij ontvlood, Want zij