Wat zou ik graag de palmen zwaaien, Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt, Den weg met voorjaarsbloei bezaaien, Mijn mantel spreiden als tapijt. Wat zou ik graag de kindren hoorent De meisjes arm aan arm gereid, De hooge schelle jongenskoren, Vol
Categorie: De Donkere Bloei
Stille week
Hoe hebt Gij dag aan dag geleden En zijt in onze plaats gegaan Den weg der ongerechtigheden, Om plotseling voor God te staan. Gij hebt geen wederstand geboden, Toen Hij U neerstiet met den voet. Lauw druppelde in de zwarte
Gethsemane
Zij gingen zóó zich in hun leed verdiepen, Dat zij, schoon op hun elleboog geleund Om Hem te zien, wel zeiden: hoe Hij kreunt, Maar dan stil schreiden, snikten en weer sliepen. Hij bad tot God, Wiens grimmigheid Hem trof.
Te vroeg bloeiende perzik
Het voorjaar kwam zóó vroeg Met zon en luwe winden, Dat ik in een verblinde Verrukking bloemen droeg. Ik kon den vasten tijd, Door U besteld, niet wachten. ’t Hunkren van mijn gedachten Werd teedre werklijkheid. O, de eerste morgen,
Voor Kajaphas
Ruk af, ’t gewaad, De gouden plaat Des schelms, die durft Gods plaats bekleeden En, onder ’t mom van ’s Heeren heiligheid, Dus de onschuld van den Heiland lagen leidt, En durft Gods Zoon vertreden. Zij hebben God, Gespuwd, bespot,
Herodes
Hij liet de sombre geilheid zijner oogen Vaag schemeren, de man belust op bloed, En onverschillig hoorde hij “t verwoed Getier der Joden, maar zijn blikken vlogen Den schamelen Gevangne te gemoet En ’t was of zij Zijn heilig leven
Ecce Homo
Zij ploegden uw gerekten rug En teisterden de murwe lendnen. Och God, zal dit torment nooit enden? Zal nooit de hoofdman, met zijn stug Gelaat, ’t gezwiep der zweepen keeren? Zien zij dan niet, dat zij verwoed Staan in den
Goede Vrijdag I, II
I God, heftiglijk in toorn ontstoken, Heeft alle zonden, ooit gedaan, Vandaag uw schoudren opgelaân, En onze schuld aan U gewroken. Hij, in zijn gramschap weggedoken, Weigert uw jammer ga te slaan. Hij dooft de zon en bluscht de maan,
Goede Vrijdag-nacht
In lichten wit-verwaanden nacht Heft donker zich de heuvel op. Ontledigd op den ronden top Houdt ’t kruis bij leege schaduw wacht. Ontzaggelijk door ruimte en tijd Glanst doelloos schoon de doode maan En glimt de ruwe balken aan En
Paaschmorgen
Hij was het graf al uitgegaan Vóór ik Zijn dood bezoeken kon. Een zwarte leegte in de zon Gaapt de spelonk mij aan. O wát hoopte in mijn verdriet, Hij kwam mijn ongeduld nog vóór. Maar, Dien ik door den