Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien, Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt, Den weg met voorjaarsbloei bezaaien, Mijn mantel spreiden als tapijt. Wat zou ik graag de kindren hoorent De meisjes arm aan arm gereid, De hooge schelle jongenskoren, Vol

Herodes

Hij liet de sombre geilheid zijner oogen Vaag schemeren, de man belust op bloed, En onverschillig hoorde hij “t verwoed Getier der Joden, maar zijn blikken vlogen Den schamelen Gevangne te gemoet En ’t was of zij Zijn heilig leven

Ecce Homo

Zij ploegden uw gerekten rug En teisterden de murwe lendnen. Och God, zal dit torment nooit enden? Zal nooit de hoofdman, met zijn stug Gelaat, ’t gezwiep der zweepen keeren? Zien zij dan niet, dat zij verwoed Staan in den