Zij zeiden: blind zijn oogen En kort zijn vleugels in, Opdat hij zingen moge Tot ons gewin. Hij zal de lucht niet schouwen En in een oogenblik Zwenken naar Gods landouwen Met zaalgen snik. Zijn blijdschap en bedroeven Zal levenslang
Categorie: De Donkere Bloei
Kerstliedje
De deuren waren dichtgedaan; De ramen bleekten bloembesterd ; De sneeuw blauwde onder blanke maan Toen ons de Heer geboren werd. Donkre spelonk was haar gegund, Waar zij van haren zoon genas. Onder den adem van het rund Bloeide ze
Drie koningen
Hij, met zijn fonkelende oogen In ’t bruine perkament gelaat, Buigt ’t hoofd en houdt de knie gebogen En kust de voet van ’t Kind dat staat En stort de schatting zijner landen: Het toornig roode goud, ter aard, En
Miserere mei
’t Is beê, en boetedag. Verloornen en gewonden, Richten hun stil geklag Tot U; vergeef mijn zondeni O Heer, aanzie dit hart, Dat trotsch is en verslagen. ’t Heeft uwen toorn getart En kan uw toorn niet dragen. Gij weet,
In allen nood
In allen nood en bitterheid Zijt Gij nabij geweest. Nu ben ik tot de erkentenis bereid: U min ik ’t meest O, daarom liet Gij mij alleen? Wat is dit wrang en zoet: Te staamlen, stug nog, door zijn tranen
Sonnetten – I Och Heer, Dien men met specerijen
Och Heer, Dien men met specerijen En olie dient, vol zoeten geur, Voor Wien men ’t licht in gloed en kleur Van brandend glas laat spelemeien. Wil Gij mijn woorden benedeien, En wil het wereldsche gebeur Van mijne daden tot
Sonnetten – II Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad
Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad, En vluchten, maar hels snelle hazewinden Snuffen de lucht en weten ons te vinden Tot in uw huis dat noodend open staat. Zij springen op en lekken ons ’t gelaat
Lees meer Sonnetten – II Heer, wij zijn wars van zonde en moe van kwaad
Sonnetten – III Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij ?
Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij? En wat is goed dan uw gerechtigheden? Die voor uw schatten niet ten bloede streden, Komen nooit los uit werelds slavernij. Een kettinglengte zijn haar slaven vrij, Om voor haar pronkend
Lees meer Sonnetten – III Het goede, Heer, wie is er goed dan Gij ?
De zondares
O Heer, ik ken die zaalge zondares; Het was mijn ziel, die weenend voor U bukte, Die met haar liefde Uw minnend hart verrukte, Den nardus gietend uit albasten flesch. Ze ontwond in drift den slingerenden tres Der haren die
Sint Franciscus
Hij had de heele schepping lief: Bloemen, Gods onbezorgde kladren, Die vriendlijk troosten, niemand hindren, Wie zijn verdriet ook tot hen hief: De violieren en margrieten, De breede weegbree, ’t hooge sprieten Van kattestaart en bloeiend gras, Der tulpen karmozijnen