De paarden laten draven langs de straat, Den rauwen praat van ’t ruige volk te hooren, De zwaarte schatten van het rijpend koren, En ’t vee betasten naar zijn waarde en staat, Het spotten met den schommelenden gang Der vrouwen;
Categorie: De Verloren Zoon
En hij peinst:
Gaan? om mijn moeders leed te zien? En of mijn vader ook vergrauwde? Hoe hoor ik ’t slissen van den oude. Hoe strompelt zij nabij misschien. O, en dit wreedel als ‘k verslagen Haar blikken mijden voor mij staar, Zijn
Hongerende
God, aan den nood der weelde ontkomen, Temt Gij mijn leven door gebrek? Waarom ontstelt Gij mij met droomen? Hoe kunt Gij dringen tot vertrek? ‘k Droom: avond is ’t, de damp der spijzen Waait mij verlokkend te gemoet. De
De oudste peinst:
O God, verlos mij van dit kruis ! Ik wil der buren spot niet dragen, Hoe schamper durfden zij te vragen: ‘En wanneer komt uw broeder thuis’? Dan dansen wij den zevensprong ‘, Zoo schertsten zij; ‘ ’t kan dan
De oudste zoon spreekt:
Kunt ge uw verdriet niet laten varen? Ben ik niet bij u thuis gebleven? Heb ik niet willig heel mijn leven U laten reeglen en bestaren? En nu ik ’t erfgoed mag bestieren Naar eigen wil en wet en orde,
Gesprek van vader en moeder
Ik zie den jongen aldoor verder gaan. Ik voel hem aldoor dichter bij ons komen. Het leed is bijna van mij weggenomen. En daaglijks word ik meer met rouw belaan. Verscheurd waait onze naam door ’t gansche land, En overal
En hij peinst:
II Hoe kwellen mij herinneringen Als helle kinderstemmen zingen Van zalig thuis en eeuw’ge vreê Ik speelde met mijn broeder samen, En door hoog opgeschoven ramen Schertste mijn moeder met ons mee. Vader stond met het volk te praten. De
En hij peinst:
I Toen ik nog thuis was, volgde ik ’t ruischen Van ’t water door het eng ravijn Om mij te lesschen en te kuischen Na jacht met boog en javelijn. Dan, trotsch op eerelijk gewonnen Buit, en gezond- en zuiver
Overpeinzing
Ik zei: ’t geluk zal mij verfijnen ! Nu weet ik, dat de weelde moordt. Mijn oogen glanzen niet, maar kwijnen, En al mijn krachten zijn verstoord. Mijn hoofd verdoft een priklend suizen. Een pijn doorgluipt mij en verspet En
De stad
Hoe heerlijk is het doelloos dwalen In vreemde stad, met vreemde liên, En gretig naar zich toe te halen Alles wat de oogen kostlijks zien. Als op den hof het vochte ronken Van ’t vee den slaap kruidt van ’t