Wake

Laat anderen den nacht maar vieren En schaatren met vervaard gezicht. Geef mij het stom geduld van dieren, Dat stil en trouw te wachten ligt. De morgen zal ’t geluk wel brengen. Lang schalt het kraaien van den haan. De

October

October met uw donkerblauwe dagen, Uw koesterende warmte en koelend licht. ’t Hart kan uw heerlijkheid haast niet dragen. Gij zijt té schoon voor ons verweend gezicht. O, tranen kunnen onze ziel niet zuivren, Zij maken ons ellendig en zo

Liedje

’t Zal eenmaal door mijn liederen slaan Alsof, een lentemorgen, De vogelen al te zingen gaan In lucht en loof verborgen. Dat kwinkt en kwettert frank en frisch Nabij en ver verdoken. Dat komt omdat het voorjaar is In bloesems

Petrus

Hij stond wreed voor den rechterstoel gebonden, En zij verweten mij zijn vriend te zijn En lasterden, wat heilig is en rein, Als laagheid en afschuwelijke zonden. ‘k Zag, hoe zij Hem bespotten en verwondden. Hij leed geduldig smaad en

Berouw

In de schemer het angstige luistren Naar de wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in de regen van ’t duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt

Belijdenis

Zij keken niet, maar wisten ’t van elkaar… Toen huifde een ijl verdooven om hen henen, En ieder zat alleen met stil misbaar De zonden zijner jonkheid te beweenen. En heel de wonderlijke morgen ging Zonder dat hunne zielen zich