Laat anderen den nacht maar vieren En schaatren met vervaard gezicht. Geef mij het stom geduld van dieren, Dat stil en trouw te wachten ligt. De morgen zal ’t geluk wel brengen. Lang schalt het kraaien van den haan. De
Categorie: Het Kostbaar Bloed
October
October met uw donkerblauwe dagen, Uw koesterende warmte en koelend licht. t Hart kan uw heerlijkheid haast niet dragen. Gij zijt té schoon voor ons verweend gezicht. O, tranen kunnen onze ziel niet zuivren, Zij maken ons ellendig en zo
Liedje
’t Zal eenmaal door mijn liederen slaan Alsof, een lentemorgen, De vogelen al te zingen gaan In lucht en loof verborgen. Dat kwinkt en kwettert frank en frisch Nabij en ver verdoken. Dat komt omdat het voorjaar is In bloesems
Kerstliedje
Wij vieren uw geboortefeest Met blijdschap, maar onze arme geest Ziet daar met schrik, en niet te bannen, Uw kruis zich aan den hemel spannen. Ach ’t eerste en ’t laatste, dat Gij kent, Is koude en jammerlijke ellend. Uw
Kerstliedje
Kind, komt Gij ditmaal in ons hart Om alle duisternis en smart En alle zonde en plagen Op eenmaal te verjagen? Ach Heer, wij zijn zoo boos gezind. Wij hebben ’t kwaad alleen bemind. En uwe ster wil schijnen Alleenlijk
Bij het kruis
Dwaasheid, ergernis, kracht Gods” PAULUS Ik heb op Golgotha gestaan En zag ’t gelaat van Jezus aan, Dien men als een ellendeling Aan ’t kruishout hing. Daar rees zijn lichaam angstig bloot, Zijn oogen duistrend naar den dood, Handen en
Petrus
Hij stond wreed voor den rechterstoel gebonden, En zij verweten mij zijn vriend te zijn En lasterden, wat heilig is en rein, Als laagheid en afschuwelijke zonden. ‘k Zag, hoe zij Hem bespotten en verwondden. Hij leed geduldig smaad en
Berouw
In de schemer het angstige luistren Naar de wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in de regen van ’t duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt
Belijdenis
Zij keken niet, maar wisten ’t van elkaar… Toen huifde een ijl verdooven om hen henen, En ieder zat alleen met stil misbaar De zonden zijner jonkheid te beweenen. En heel de wonderlijke morgen ging Zonder dat hunne zielen zich
Voorbereiding
Hun harten voelden zij als boeken In Gods geduchte hand gelegd, En wisten, dat Hij al hun slecht Gedrag gerecht zou onderzoeken. Zij lazen bang en hunkrend mee, En zagen wat zijn vingers wezen. Was er niets goeds? hun schaamte