Zij aten allen het gezegend brood, Dronken ontroerd den zwaarbewaasden beker. Hun oogen weenden en hun hart sloeg weeker En stroomde vol van ’s Heeren bittrend dood. Zij zagen zijn gestrekten stillen nood En ieder voelde zich ontzet, maar zeker,
Categorie: Het Kostbaar Bloed
Nabetrachting
De stuggen hebt Gij mild gemaakt. Maar o, de lieflijkheid der zachten! Die is zoo zuiver als de vachten Van lamren door de zon geblaakt. De schuwen werden niet verschrikt. En die als bloemen naar U smachten, Hebt Gij, als
De orgelspeler
Hij kent nog niet de harde tucht, Die ook de zuivre ziel moet stalen. Zijn vingers dwarrelen en dwalen De toetsen over, en hij zucht. Snel is de schuchtre ziel gevlucht Achter den galm van kerkkoralen. Dan stampt hij driftig
Eentonigheid
’t Is elken dag hetzelfde: wat kan ik Dan uw trouw mededogen eer bewijzen? Bewogen stamelend uw schoonheid prijzen? Tijd werd mij één lofzeggend oogenblik. Mijn oogen kennen ’t duister van den nacht Niet meer, noch dageraads vertroostend schijnen. Donker
Ontwaken
De morgen is ontwaakt met licht geruisch Van bladeren en helle vogelkelen. Slaap week zoo zacht als van hun stille stelen De lampjes van het paardebloemenpluis. Nog dwaalt gerucht van leven door het huis Als losse galmen die zich weer
De blik
Uw ernstige oogen mild op mij gericht, Gaat gij soms zengend aan mijn hart voorbij. En duizelingen wirrelen in mij Tot heel mijn zwakke wezen is ontwricht. Het is of ik uit wit verblindend licht Door gouden schemeringen langzaam glij
Venezia
t Was avond toen wij in een gondel gleden Diep weggezonken in het zwart sameet De lucht leek als een wazig zilverkleed En t water lag vol vage kostbaarheden. Wij luisterden: koel murmelde t beneden, En langs de piazetta zoel
Geluk
Nu zal ik voor altijd gelukkig zijn En zinnend door de luide wereld zwerven. Wat is het leven zoet, en ach, te sterven Van u bemind, heeft nog een lichten schijn. Boven ons brandt de zon den hemel rein En
De seringen
Deze geuren zijn zoo week als ’t streelen Van een hand door zijïg zachte haren. O hun vleiïng die het bloed met zware Slagen door de vingeren doet spelen En dan zachtjes tempert tot bedaren. En een vreemde droefheid glijdt
De bloemen
Gij bracht vandaag den zomer in mijn huis: Een groote ruiker roze en blauwe klokkken. Zij lokken door het raam met zwaar geruisch De hommels die op zoeten buit uittrokken. En witte rozen! Half nog sluimred, rood Als kinderen die