De wind

Er ging een lichte dreuning door het huis. De gore lucht hing laag en geurde bitter. De bolle spiegel kaatste ’t tuinpad witter En werd ontvoerd en sloeg schittrend in gruis. Toen was ’t of uit de hooge rozelaar Plotseling

De doode

Zij maakten eerst een weinig rouwmisbaar En trokken, wat hij nimmer had geduld, Een rechte scheiding in zijn stugge haar En die werd boordevol met licht gevuld. En ’t was of hij zich wreekte, want een hoon Kiemde om zijn

Voorbij

Zij was zoo jong en zoo bedorven. Ze zei: ze had te lang gezworven. Haar oogen waren al gestorven. Zij was in het moeras ontstaan. Zij was een blauwe gentiaan, Geplukt, en welkend dichtgegaan. Men heeft haar teeder weggedragen. Ze

De profetes

Na de bedwelmingen en haar extazen Lag zij ter aarde als een geschonden rijs, Een uitgebloeide tak, en hun verbazen Zag, hoe de heerlijkheid van ’t paradijs, Die door haar wil rondom hen was gerezen, Vervaalde, en plotsling gromden zij

Een neger

Om ’t voorhoofd onder ’t kort gekroesd Haar klemt een breede gouden hoepel. Hij oliet ’t stalen lichaam soepel, Houdt de oorera waaksch en de oogen woest. Scherp is zijn speer en scherp zijn worp. Hij vlijmt door ruggen en

De bader

Zijn bronzen lichaam blonk in zonneschijn. Op ’t water blonk zijn beeld spieglend gebroken. En in die spiegeling is hij gedoken En rees, om voor zichtelven vreemd te zijn. Hij sloot zijn oogera en hief zijn gezicht, Aangerand en geteisterd