dat ick Godt den Heere, Der Hoogster Majesteyt Heb moeten obediëren In der gherechtigcheyt. Ik koos het heerschen niet, ik ben er toe geboren: In dit beperkt domein van leven en van tijd, Die, onder mij geschikt, God blijven toebehooren,
Categorie: Langs Den Heirweg
De wind
Er ging een lichte dreuning door het huis. De gore lucht hing laag en geurde bitter. De bolle spiegel kaatste ’t tuinpad witter En werd ontvoerd en sloeg schittrend in gruis. Toen was ’t of uit de hooge rozelaar Plotseling
De fabrieksarbeider
De riemen en de raadren, Al wat verdooft en blindt, Zijn hem niet meer dan blaadren Opruischend in den wind. Hij durft zich te begeven Tusschen de tasters heet. De gladde plank ten leven Is smal, dood snel en wreed.
De overval
Zij waren jongens van het land, Die meer dan wij van paarden wisten. En ’s avonds liepen heele risten Met onze meisjes aan de band. En dat besliste. dier en vrouw Zijn beiden uit ons bloed geboren. Alle bezinning ging
De doode
Zij maakten eerst een weinig rouwmisbaar En trokken, wat hij nimmer had geduld, Een rechte scheiding in zijn stugge haar En die werd boordevol met licht gevuld. En ’t was of hij zich wreekte, want een hoon Kiemde om zijn
Voorbij
Zij was zoo jong en zoo bedorven. Ze zei: ze had te lang gezworven. Haar oogen waren al gestorven. Zij was in het moeras ontstaan. Zij was een blauwe gentiaan, Geplukt, en welkend dichtgegaan. Men heeft haar teeder weggedragen. Ze
De profetes
Na de bedwelmingen en haar extazen Lag zij ter aarde als een geschonden rijs, Een uitgebloeide tak, en hun verbazen Zag, hoe de heerlijkheid van ’t paradijs, Die door haar wil rondom hen was gerezen, Vervaalde, en plotsling gromden zij
Een neger
Om ’t voorhoofd onder ’t kort gekroesd Haar klemt een breede gouden hoepel. Hij oliet ’t stalen lichaam soepel, Houdt de oorera waaksch en de oogen woest. Scherp is zijn speer en scherp zijn worp. Hij vlijmt door ruggen en
De bader
Zijn bronzen lichaam blonk in zonneschijn. Op ’t water blonk zijn beeld spieglend gebroken. En in die spiegeling is hij gedoken En rees, om voor zichtelven vreemd te zijn. Hij sloot zijn oogera en hief zijn gezicht, Aangerand en geteisterd
Jacob zegent zijn zonen
Zij vreesden allen hem, en zij ontweken Den oude, die hen met zijn handen zag, En wisten, dat zijn weten op hen lag, Ofschoon zijn oogen waren blindgekeken; En wendden zich gelijk een hond zich wendt Naar goede brokken; en