De zwerver

Uw goedheid schiep de tuinen en de weiden, Het stuifzand en de bosschen zonder pad, En mij, die zich als vreemdeling liet leiden, Naar wensch en toeval rustig nederzat, Tevreden met wat Gij hebt voorgeschreven Tot sterking van dit dwalende

De componist

Hij had de deuren afgesloten En alle vensters dichtgedaan. Toen is zijn leven weggevloten En weer als melodie ontstaan. Ontbindingen, en samenstroomen Van zielsbezit en zinnenbuit, Vermoedingen en vondsten komen Schokkend en glijdend tot geluid. Het is een eindeloos versterven

De dom

Terwijl ze aan ’t fundament nog wroetten, Keken, met oogen van de mortel blind, De bouwers op in zonneschijn en wind, Of zij den torentop reeds groetten. Hij werd hun als een zoon, veel ranker En edeler dan ’t voorgeslacht;

De plas

Van de rivieren afgesneden, Eenzelvig, maar onaangetast, Handhaaft de plas zich in ’t gemeden Moeras, waar ’t riet haar eng omwast. Er trekken stalen helderheden En zware schaduwen door haar. Wat in den hemel wordt geleden, Geschiedt hier even grootsch

De muur

Hij is de sterkte van zeer velen, Die allen hun geduld en kracht Tezamen doen en samen deelen, En worden één onwrikbre macht. De klinkers rusten en zij dragen, De mortel scheidt en zij verbindt. En schoon het fundament moet