Het is november en wij eten Nu van ons vetgemeste zwijn: De grote hammen en het klein Gesneden spek, en, niet vergeten, De lever en de fijne nieren, De dikke kronkelige worst; Het is wat zwaar en geeft ons dorst,
Categorie: Spiegelbeelden
De minnenden
De hemel is zachtgrijs Als de as van een cigaret. Er is niemand die op ons let Dan de speelman met de zeis. Over de jonge sneeuw, De glinsterend reine, Schaduwt zijn fijne Wapen, wij geven geen schreeuw. Wij weten
Prediker
Hij voelde zich vermoeid en neêrgeslagen. En wàs hij of gevoelde hij zich oud? Hij kende liefde en de macht van goud En dat de mensch niet veel geluk kan dragen. In de heete uren van de herfstdagen Lag hij
De krankzinnige
Zij zeggen, dat ik zo verstandig praat, En dat geen trek in mijn gelaat Verraadt dat ik krankzinnig ben; Dat ik wel gek, maar zeer zachtzinnig ben. Maar of mijn zinnen krank zijn, Mijn geest kan toch wel blank zijn
De dominee
Hij zit elke week preken te maken, Die de gemeente Zondags komt horen. Hij moet dopen als er wordt geboren En in het sterfhuis een zucht gaan slaken. Daartussen ligt een lange reeks van jaren, Waarin men tot hem zegt:
Het jubileum
Hier zit hij nevens zijne gemalin Die hen met ’t Woord vertroostte en bezeerde, Tegen hun reglementen rebelleerde, En veel te veel verdiende naar hun zin. En hoeveel zegen heeft hij hier genoten! At hij niet van hun koe en
De moordenaar
Toen hij gedaan had wat hij wou, Begon er in hem een bedroeven Of hij moest wenen bij een groeve En nooit meer vrolijk wezen zou. Vlak naast hem was de vette vrouw, Nog naakt, zich wassend, of de schande
De achtervolgde
Een oude schaapskooi of een wrakke schuur Waren zijn onderdak, maar nauwlijks veilig. Hij sliep, en nimmer was zijn slapen heilig. Hij droomde van vervolging, mes en vuur, Woelend op ’t bed van schapenmest en heide. Hij werd omringd, doorstoken
De landlooper
Is het zoo erg dat ik geen koopman ben Of dominee? moet ge u voor mij geneeren? Ben ‘k sjofel? Een minister dien ik ken Zit niet veel netter in zijn nette kleeren. Ons stoflijk hulsel leggen wij straks neer.
Begrafenis
Hij is bepaald heel net gekist: gekleed kostuum; op mat fluweel doet dat heel goed, ’t is rijk en eêl. Wat zou hij trots zijn als hij ’t wist. Het glas heeft een geslepen rand. De schuif is van licht