De gek

’t Is, of ‘k al verder van mijzelven dwaal. Ik zit in ’t middelpunt van een spiraal, Die uitzet als een wijde hoepelrok, En vastgemaakt aan een baleinestok, ‘k Word weggecirkeld, en ik lach mij krom, Ik draai vanzelven tot

De hulst

Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester, Staat glanzend aan de rand der maatschappij, Betuttelt alles en hoort nergens bij, En is van komaf een gewone heester. Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt! Daarom heeft hij zo’n stekelige glimlach. Hij

De baker

Er is iets zonderlings in haar verschijnen, Iets buitenwereldsch en iets ouderwetsch, Ze heeft zich opgedirkt en blijft toch flets Binnen den vasten bouw der buitenlijnen. Wij gaan in haar vaag groen gehouden oogen Als in ’t pissoirtje bij een