Wij glijden in uw zaal Zoo zacht als een ijl dons, Maar gij betoovert ons Tot een ding hard als staal. Meedoogenloos, scherp waar Stelte ge ons voo roogen, Wat wij opsierden, bogen, Wat eerlijk is èn naar. Wij dáár
Categorie: Spiegelbeelden
Het horloge
Hij keek wantrouwig in zijn haarge hand, Of daar iets kostbaars lag en fonkelde. En zijn angstig gezicht verdonkerde En werd vreemdrood als bij een grooten brand. Hij sprak: de doode lag, een ruige wal; Mijn handen klommen en tastten
De doove vrouw
Zij zat te sluimren in het ijl prieël Van ’t kroegje, waar wij wijn te drinken vroegen. Ze ontwaakte en zag verbaasd en met genoegen Hoeveel wij joegen door de jonge keel. Wij merkten wel dat zij ons niet verstond
Het dienstmeisje
Voor haar is iedere dag een raam, Dat zij afspoelen moet en zeemen. Maar soms is er een, blind als veemen, Dat haar verschrikt, en zonder naam. Dan denkt zij aan haar vrijen avond, De vreugd van dans en bioscoop,
De gek
’t Is, of ‘k al verder van mijzelven dwaal. Ik zit in ’t middelpunt van een spiraal, Die uitzet als een wijde hoepelrok, En vastgemaakt aan een baleinestok, ‘k Word weggecirkeld, en ik lach mij krom, Ik draai vanzelven tot
De hulst
Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester, Staat glanzend aan de rand der maatschappij, Betuttelt alles en hoort nergens bij, En is van komaf een gewone heester. Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt! Daarom heeft hij zon stekelige glimlach. Hij
Het oude meisje
Zij is zoo vol smachten en beminnen, Dat men haar blauwseloogen niet durft zien. Zij is ’t van ’t lange liggen gele linnen, Het ruikt naar rozen en iets muf misschien. Zij lacht onrustig, spreekt een beetje teemend, Men weet
De oude jongeman
Hij weet t niet, maar is een der onbegeerden, die egoïstisch worden en jaloers. Ze suggereren dat hen niets ontbeerde, en zijn verlegen, links, en lichtelijk boers. Hij stopt zich vol met kool en wienerschnitzel, en drinkt zijn kop niet
De baker
Er is iets zonderlings in haar verschijnen, Iets buitenwereldsch en iets ouderwetsch, Ze heeft zich opgedirkt en blijft toch flets Binnen den vasten bouw der buitenlijnen. Wij gaan in haar vaag groen gehouden oogen Als in ’t pissoirtje bij een
De jonge broeder
Temiddenv an de broederen stond hij. Men kon hem haast niet onderkennen Van de anderen, want zijn gelaat en pij Was eender; maar soms kwam een rennen In hem en omkijken, alsof een spook Hem achterna zat en deed wankelen.