Haar witgeschoeide voetjes zijn zoo klein, Dat ze in een flinke mannenhand verdwijnen. Ze gllmIacht zoetjes, maar het is niet rein. Ze wil graag kinderlijk onschuldig schijnen. En daarom overschaduwt haar een fijn Gevlochten tuinhoed; zilverbIond verdwijnen Heur haren tusschen
Tag: gedicht aanwezig
Romantiek
De wijn op tafel en het glas er naast. De gele rozen in het blauw verglaasd BIoemvaasje laten stil hun blaadjes zwieren Over de ganzenpen en de papieren. De jonge dichter met bruin golvend haar Staart droomrig door het open
Oude dans
Kalm verdeinen de motieven Van den statig stillen dans. Gracieus gaan de gelieven Door den klaren avondglans. Na ’t adieu zweeft ieders ijver Naar een nieuw ontmoeten heen. Even, tusschen maan en vijver, Staan hun schaduwen alleen. Even … en
Volwassen worden
Er komt een dag, waarin hij alles voelt Veranderen, zijn jeugd is weggeweken Hij reist alleen door onbekende streken En weet niet wat het vreemde volk bedoelt. En leert veel zwijgen, en hij wikt zijn woord En laat langdurig zijn
Ook dit moet zijn
Ook dit moet zijn: het eerste schuw bewegen Der zielen en het rimpelen van ’t bloed, Totdat er eindelijk een zachte gloed In wangen en in oogen komt gestegen. GlimIach en Iach komen elkander tegen. Verschrokken heelt een hand een
De zaligen
De gele rozen lichten langs t terras. In diepe stoelen liggen zij te rusten, De zaligen, die elkaar gelukkig kusten, De toekomstlozen; heel hun leven was Een dringen naar de voorgeweten uren, Waar alles eensklaps in vergeten is; t Verwaait
Vergevende liefde
Gedankt moet zijn voor veel vergeven, Want dikwijls overtreden wij, En doen of wij nog los en blij Beschikken over eigen leven. Wij voelen tijdens ’t zondigen niet Wat wij verscheuren en ontstelen: Vreugd die we elkander toebedeelden, Het hoogst
De onderworpene
Men had het mij zoo vaak voorspeld: Ik zou niet bukken voor geweld, Maar roekeloos en onbezonnen Door llefde zwak zijn en verwonnen. Ik ging mijn gang, ik deed mijn werk, Ik sloeg mijn slag, en ik werd sterk. Door
De erflater
‘k Bèn niet zoo machtIoos als gij meent. Wat ik eens bezat blijft ’t mijne. Alle boeken in de schrijnen Weten weI, dat gij hen Ieent. Heeft mijn pen, die gij gebruikt. Niet dwaas langs ’t papier gehuppeld, Dubbel schrift
De vermoeide tot zijn bibliotheek
Havens van schoonheid, woonplaatsen der wijzen, Eenzame baaien, steden dichtbevolkt, Zonnewoestijnen, poolland zwaar onbewolkt, Hoogvlakte en diepzee, doel van jeugd en grijzen, Heelal door mensenhand moeizaam gemaakt, Chaos, geordend en tezaam gebonden, Naar wetten, overtreden en geschonden, Geheel en deel