In de schemering is er een fluisteren: Lieveling, lieveling! De hemelen duisteren, Maar klaar glanst hopen en herinnering: Lieveling, lieveling! Kom in de schemering. Handen zullen têer streelen, En aan uw oor de heele Heele stille fluistering: Lieveling, lieveling! En
Tag: gedicht aanwezig
Avond
Die ik verloor, gij zult nog in mijn lied, Als in den vreê van avondgaarden dwalen. Het maanlicht weifelt in de looverzalen, En alles wordt tot wonder, wat men ziet; De hemel, als een heimwee, schoon en bleek, Aards zoele
Wachtende
Nog dezen avond zult gij tot mij komen. Tusschen ons beiden is een ijle sfeer Van liefde, vreezen, en vertwijfelingen, En het zal zijn als immer, en niets meer. Ik mag uw handen nemen, en mijn oogen Zullen verwaasd en
Avondliedje
Nu heeft één leed ons beide omvangen, In dezen schemer grijs en stil. En onze liefde en ons verlangen Zijn doodlijk moe en zonder wil. Het geuren van de avo Rijst tot ons door het open raam. Ten hemel vloeien
Sonnet: Toen hebt gij mijne schuldvernedering
Toen hebt gij mijne schuldvernedering In ’t streelen uwer handen weggenomen. Tranenverzadigde verteedering Kwam in de deernis uwer oogen doornen. Is niet de diepste wensch van alle vromen Hun donker aardsche zonden weder in Gods vuren liefde durend te verstroomen
De jonge herder
Zijn jonge leden loom in ’t hooge gras gelegen, Staart hij den hemel toe, een glimlach om den mond, Terwijl zijn rechterhand, in onbewust bewegen, De kroeze haren streelt des ruigen herdershond. Die, immer waaksch gezel, richt zich, met nijdig
De edelknaap
Hij is te jong en teêr om drang of drift te kennen, Zij oogen zijn nog pril, zijn mond is zoet en zacht. Zijn kleine hand kan, fier, zijn paardje mennen, Te toomen ’s levens ros, mist hij de stoere
De jonger I
Wie kan Hem meer dan ik beminnen, Die enkel van Zijn liefde leef! Hij doet mij al Zijn rijkdom winnen, Schoon ik Hem weinig wedergeef. Hij heeft mij tot Zijn zoon genomen, Toen ik verloren doolde. ,,Kom!” Toen ik zijn
De jonger II
Toen ik mijn zonde wou verheelen, Werden Zijn oogen droef en stil. Wel bleef Zijn hand mijn lokken streelen, Maar Zijne vingren waren kil. En Zijn ontroerde stem ging fluistren Naar mijn gebogen hoofd, als wind, Die ons omdwaalt bij
De rijke dwaas
Van vreugden is mijn ziel verzaad, Door kommer werd mijn hart verzeerd. Die rijke schat van goed en kwaad Hoe wordt hij opgeteerd? Het leven vraagt slechts luttel deel Van mijn bezit tot zijn behoef. Wat doe ik met het