Beatus ille Nu heeft hij aan doods koele peel Zijn blonde hoofd zoo moe gevlijd. En daar is geen die om hem schreit, Noch om zijn vroegverloren deel. Over de zoet geloken scheel Zons gulden goedertierenheid, Over de handen benedeid
Tag: gedicht aanwezig
Het is een blijde dag
Het is een blijde dag: het wit Der sneeuw is door geen voet gekrookt. De zonneschijn is zuiver goud. De luchten staan van kristallijn. De wind, die door de boomen strookt, Rooft heel hun schat van tintlend rijm. En als
Gij en ik tezamen
Gij en ik tezamen, behoeven wij nog meer: Schat van goud of zilver, rijkdom van werelds eer? Is niet gewin en weelde en aller- landen goed Minder dan onze armoe en ons genieten zoet? Handen van schatten ledig, is wel
Sonnetten – I Wees maar ver, en laat uw leven
Wees maar ver, en laat uw leven Nooit naar mijn ellende nijgen. Ziel zal tot u overzweven En tot buit uw ziel verkrijgen. In nachts stil en zeegnend zwijgen, Als de droom uw hart doet beven, Zal mijn liefde in
Sonnetten – II Komt gij dicht nabij mij leven
Komt gij dicht nabij mij leven Door mijn sterken wil bezworen? Kunt gij mij nu zien en hooren, Voelen mijn verlangend beven? Zal uw adem om mij zweven, Wil uw glimlach mij behooren, Zoekt uw jeugdige bekooren Zich verrukt aan
Sonnetten – III Gij zijt zoo zacht en schuchter van gebaar
Gij zijt zoo zacht en schuchter van gebaar, Uw oogen glanzen, rein door vele tranen. Ze zijn twee groote blauwe bloemen, waar De dauw op wiegelt in het licht der mane. Uw handen dolen streelend door uw haar, En ’t
Lees meer Sonnetten – III Gij zijt zoo zacht en schuchter van gebaar
Sonnetten – IV Gij zijt de schoonste van een schoon geslacht
Gij zijt de schoonste van een schoon geslacht. Na dezen bloei kan geen volmaakter wezen. Fierheid van man en vrouws bekorend vreezen Vervloeide’ in u tot één sereene pracht. Soms zijn de zomeravonden zoo zacht. Uit alle velden komt een
Lees meer Sonnetten – IV Gij zijt de schoonste van een schoon geslacht
Liedje
En als wij zijn gescheiden Door land en zeeën saêm – Dan speur ik in den lauwen wind Uw lentelijken aêm. Dan zal de wind mij leiden De heele wereld rond, Tot op een nieuw verblijden Ik kusse uw rooden
Leed en geluk
Leed en geluk, wat ‘k gaf of won, Welde al uit liefdes eeuwge bron. Zoo zeker en zoo ongezocht Als harteslag en ademtocht. Ze zijn elkanderzijn zoo nabij Als warmte en koude in lentetij; Als onrust en verdroomde slaap; Als
Sonnet: Waarom kwelt gij mij met droomen
Waarom kwelt gij mij met droomen, Als gif uw nabijheid weigert. Waarom wilt gij zelf niet komen Nu tot hooge hartstocht steigert Mijn beminnen en begeeren, Tot mijn zwakke krachten breken, En mijn lang en krank ontberen Slechts waanzinnig u