In den tuin

Wij zoeken allen naar een hof der hoven, Waar eenmaal onze onrust stil zal zijn, Wij weten slechts van scháuw en zonneschijn, Die wisslen onder waaierende boven. Wanneer men vlucht de ontroeringen van ’t leven, En, daad en droom en

Eenzamen

Is er een nood, die meerder nijpen kan dan deze: In liefde lusthof zijn een eenzaam man En een bevreesde? En mogen niet de martelende pijn Aan andren toonen, Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn, Als

Avond

De dag heeft uit, de zon is onder. Geen ding dat zich bewegen wil. Het spiegelbeeld van vlet en vlonder Ligt in het roerloos water stil. Het loover legt zijn ijle trossen Langs mijn verduisterende raam. En vaakrig roept uit