Wij zoeken allen naar een hof der hoven, Waar eenmaal onze onrust stil zal zijn, Wij weten slechts van scháuw en zonneschijn, Die wisslen onder waaierende boven. Wanneer men vlucht de ontroeringen van ’t leven, En, daad en droom en
Tag: gedicht aanwezig
Donkere middag
Wordt het avend, gaat het dagen? Deze grijze schemering Doet ’t begrip van tijd vervagen, Dooft den luister van elk ding. Koele wazen, als in morgen Voor het pril gerezen licht, Houden alles half verborgen: Maagdelijk lijkt elk gezicht. Doch
Aandachtig gedicht
De ziel zegt: Ik heb alleenlijk dit begeerd, Dat ik, na alle lust en leed, In vlekkeloos en blinkend kleed Mocht gaan, van u geëerd. Nu zit ik stil en peins en beid. Achter der oogen dunne ruit Zie ik
Melancholia I
Wanneer de avond aan de huizen leent, Die broos verweeren in de oude steden, Komt soms een knaap zacht door een poort getreden, En ziet zich schuchter om, en staat en weent En wischt zijn tranen niet, maar
Melancholia II
Wat is dit, dat, wanneer de dag zich neigt, Wij ons zoo week en vreemd weemoedig weten, Als ieder ding een vaagheid van vergeten En weer verrezen droomen om zich krijgt? Wat is dit, als de nevel nederzijgt, Dat ons
Quaerite et invenietis
Wanneer wij u zoeken, Waar zijt gij te vinden! Wel speuren we uw sporen Maar gij zijt zoo ver. Soms klinkt om de hoeken, In ’t waaien der winden, De klank van uw horen Nog flauwlijk naar her. Soms kleurt
Mater dilectionis
Hij deed zijn hoogheid dalen Naar mijne nederheid. Hij iet zijn glans vervalen Tot bloode teederheid. – Doch zijn zijn kinderoogen Nòg klaarder dan der heemlen diepste blauw Zij liggen iedren morgen overtogen Met werelds smartelijkste en helste dauw. Zijn
Eenzamen
Is er een nood, die meerder nijpen kan dan deze: In liefde lusthof zijn een eenzaam man En een bevreesde? En mogen niet de martelende pijn Aan andren toonen, Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn, Als
Avond
De dag heeft uit, de zon is onder. Geen ding dat zich bewegen wil. Het spiegelbeeld van vlet en vlonder Ligt in het roerloos water stil. Het loover legt zijn ijle trossen Langs mijn verduisterende raam. En vaakrig roept uit
Sonnet: Nu heb ik voor de heerlijkheid
Nu heb ik voor de heerlijkheid Van Uw genadige oogen Mijn schaamrood hoofd gebogen, Verstrikt in mijn begeerlijkheid. En Gij hebt al de deerlijkheid Van ’s harten onvermogen Tot Uw hoog hart getogen, Verrukt en vol verveerlijkheid. Nu vloeit gestadig