Avondliedje

Ruischt de sluimer uit de tuinen Binnen met den avondwind? Uit de fluisterende kruinen Staart het duister stil en blind. Melancholisch murmelt, even Hoorbaar, of hun droom begint, ’t Weeke wiegelen der reven, Zacht als d’ adem van een kind.

Moeder

Moeder, ik zou mijn hoofd van zorgen zwaar nog eenmaal in uw handen willen leggen, terwijl uw stem m’een oud verhaal ging zeggen, waarvan ik de heugenis nog bewaar. Ik weet een avond, ’t is al menig jaar geleden, zoete

In den tuin

Wij zoeken allen naar een hof der hoven, Waar eenmaal onze onrust stil zal zijn, Wij weten slechts van scháuw en zonneschijn, Die wisslen onder waaierende boven. Wanneer men vlucht de ontroeringen van ’t leven, En, daad en droom en

Teederheid

Er is een teêrheid, die voor woorden vreest, Te leven schroomt in blikken en gebaren, Uit overschaduwde oogen waagt te staren, En voor ons opzien schrikt, en wijkt bedeesd. Maar wijl nog zachte glans in de oogen kwijnt, Een fijne