Nacht Lief, de roode rozen doven Nu het duister van den nacht begint, En de zilvren luister van de hoven Zweeft gelijk een neveling naar boven. En de sterren rijzen en heel de aard ligt blind. In den donkren vreê
Tag: gedicht aanwezig
Ontwaken
Nog slaapt dit gezicht, zoo zacht en broos, En weet niet, dat ‘k aandachtig sta gebogen Over de wondren der gesloten oogen. De wimpers trillen zoetjes en eenpoos Gaan ze gestadig, zonder wil bewogen, Of de oogen zagen door de
Passing Flirtation
Kom nu, kom nu, De tijd is vol. Daar zal geen uur meer komen, Dat van de bloei van dag en nacht Late avond zulk een gave pracht Heeft saamgenomen. Nu, in dit schaduwloze licht, Laat uw gezicht Glimlachend naar
Verbeiden
Ik weet, dat gij niet komen zult, En wacht tóch op uw komen. En mijn verbeidend ongeduld Waakt nog in diepste droomen. Ik lig en slaap, en, onbewust Hoor ik op elk geruchten En beef vervaard naar de ijdlen lust
Avondliedje
’t Is de schemer, en uw zachte Glimlach is mij dicht nabij. Ziels verzichtbaarde gedachte Weerlicht tusschen u en mij. In de heemlen uwer oogen Spieglen sidderend zijn snelle bogen. In een Huistrend ommezweven Wijlt uw adem om mijn hoofd.
Liedje
Heb ik niet op u gewacht? Toen in bleeke vochtverzade Hemel rees een zweem van blauw, En de morgenster stond flauw Boven aardes nevelwade, Taalde ik naar uw stralende genade, Als naar de zon de doosche gouw. Heb ik niet
Liedje
Ik droomde, dat uw hart mij riep En, nauwelijks vernomen, IJlde ik nabij te komen Tot waar gij laagt en sliep. Ik zocht u, en ik vond u diep In eenen groenend ale. De maan in loovren zale Siddrende schaduws
Liefde is er geen ander pad?
Liefde, is er geen ander pad, Dan door leed tot u te komen? Hebt gij nooit een hart tot u genomen, Dat zijn bitterheid nog niet geleden had? Moet een elk de vuren vlam Uwer heilgenade zengen? Kunt gij die
Zij, die zoo licht de wereld lieten
Zij, die zoo licht de wereld lieten, Gehoorzaam naar uw stad te gaan, Kennen haar vreugden noch verdrieten, Noch de bekoring van haar waan. Zij gingen, blijde schuldeloozen, Glansoogend langs haar lokken heen. Hun argeloosheid zag geen boozen, Zi zagen
Avondwandeling
Het werd al avond, toen we door het hek De lange laan ingingen. In de lucht Die vol geschulpte grijze wolkjes was, Begon het licht al langzaam weg te gaan, Met tragen tred, lang omziend, en het leek Alsof elk