Toen zij besloten één te zijn En bloed en leven te vermengen, Kwam er een zachtheid in hun zengen, Of er een zingende fontein Koelte verstuivelde over rozen. Hun diepste wezen, transparant, Tot stralend licht gestolde brand, Verscheen ’t kind,
Tag: gedicht aanwezig
Polonaise brillante
Regen drupt door de lindeboom, En uit de verte roept een horen. Er fladdren vogels tusschen ’t koren. Uit de open staldeur, zwaar en loom, Drijft geur van koeien; en licht stof, Dat vlegels uit het koren kloppen, Hangt om
Sint Anna ter Muiden
Nader met aandacht tot dit groene .plein, Een kleine weide onder lage boomen. Hier is de rust zoo jong en zoo volkomen Als lentewind en najaarszonneschijn. Hier is het oude en het havelooze Der dingen tot een nieuwe levensstaat Geworden,
Vita nuova
Het is nog iets troebel (de wallen zijn kaal), Het water in het nieuwe kanaal. Het moet nog helder worden en blinken, Stroomende moet er veel verzinken. De meeuw, zich spiegelend in zijn vlucht, Moet onder en boven niets zien
Beatus ille
Welzalig die niet als een handvol graanDoor een mullers christenmolentje moet gaan, Naar wien de kippen niet luidruchtig graaien,Omdat de haan op sions mest gaat kraaien, De niet wordt door de hitsige hond besprongenOf weggepsalmd door boeren en hun jongen,
De getuigers
Het wordt gewoonte dat ment zegt: o Heer, Wij danken U, want deze man was zondig, Maar Gij hebt onlangs hem, ’t ging kort en bondig, Bekeerd, en dat verheugt ons allen zeer. Wij kunnen er een opstel over schrijven,
Toon
Zwaar stapt, in zijn blauwlinnen broek En gapend lichtgeel boezeroen, Toon, om een soepkip op te doen In t nachthok; t fluiten flapt tot vloek Als plots een Barnevelder kloek Fladdrend en kaaklend zich verraadt. Verdomme, bromt hij, even kwaad,
Jonge Germaan
‘k Zag hem ’s middags plots onder de lindenIn ’t watergroene schemerlicht tredenUit het keizerlijkheidenmensch verledenWist hij, felle sperwer, mij te vinden;Deze fiere Fries met het goudgeel haar, De scherpe neus en de smalle wangen; Zijn diepgekaste oogen staan bevangen;Dan
Een criticus
Hij is de beste van de epigonen.Zijn verzen zijn, helaas, wel niet veel zaaks,Maar hij weet uiterst scherp al het mismaaktsIn ’t broddelwerk der broeders aan te tonen. Als Vestdijk of Ter Braak heeft voorgekauwd,Begin zijn taaie slijmerige kwijlen.HIj vult
Het monnikje tot Maria
Voor Wilma Jonkvrouw, misschien vindt gij mijn woorden boud, Maar laat ze voor uw voeten mogen sneeuwen Als rozen en daar bloeiend blijven, eeuwen Aan eeuwen, als uw Zoon aan ’t dorre hout. Ach, beeldeken van donker eikenhout, Ze omsjilpen