Het kind

Toen zij besloten één te zijn En bloed en leven te vermengen, Kwam er een zachtheid in hun zengen, Of er een zingende fontein Koelte verstuivelde over rozen. Hun diepste wezen, transparant, Tot stralend licht gestolde brand, Verscheen ’t kind,

Toon

Zwaar stapt, in zijn blauwlinnen broek En gapend lichtgeel boezeroen, Toon, om een soepkip op te doen In ’t nachthok; ’t fluiten flapt tot vloek Als plots een Barnevelder kloek Fladdrend en kaaklend zich verraadt. ‘Verdomme,’ bromt hij, even kwaad,