Venetië I

Voor Bram ’t Weerzien was schooener dan het eerst begroeten … ’t Water lag wijder en de uitheemsche drooemen Die jarenlang ons kwellend bloed verzoetten, Zijn iederen dag levend tot ons gekomen. Wij gleden in de gondels het verleden Tegen

Parijs I

Voor Bram Dit is Parijs: oneindigwijde pleinen (Omgromd van veil rumoer, en bonte seinen Bliksemend tusschen zinloos snelverkeer) In een vreemdgulden eeuwig lenteweer. Van stille en van stuivende fonteinen Is ’t laag ombuigen en het hoog verdwijnen In een vaag

Parijs II

Voor Bram Glimlachend prachtige, en donkerrosse, Doordonderde en ongerepte steppe, Over uw zwijgen en uw razen kleppen De klokken als de spechten in de bosschen. Dagelijks komt dit kloppen tot uw hart En dringt steeds dieper met de bloeddruk binnen

Brugge

Wat zal het heden schoon in Brugge zijn! Deze verstilling van het onverwacht Vereeuwigde, en ’t nieuwzijn van de nacht Over de rijpe witte maneschijn! De bladeren, doorschijnend en verguld, Suizen rond ondoorgrondelijk verkoren Verbeeldingen, die dood en weêrgeboren Den

Kwan Yin

Ik heb een god van groene jade En een godin van rood ivoor. Tusschen die beiden (smalle manestraal, Melkwitte spleet in een bont kraalgordijn) Over de kleine aandacht harer handen Gebogen, staat, koel, onaantastbaar, Kwan Yin, ’t Barmhartige onkenbaar hart

De vlucht

Onder de breede schermen van de ceders Stond ’s avonds laat nog als een heete zuil De zware harsgebalsemde zomerlucht. Laag boven de aarde als barnsteenen Dogen Loerden de groote doffe steenlantaarns. Gij sloot den harden zweetgelooiden gordel Eng om

De goudvisschen

De Zoon des Hemels heeft mijn hart verheugd. Vanmorgen bracht, gehuld in groene zijde, Zijn kamerheer een porceleinen vijver, Een groote kom, waarlangs glazuren lotus En riet en lentelijke bamboe rankt. Ademloos schouw ik ’t binnenzijdsche wonder: Drie visschen, goud