Voor Bram ’t Weerzien was schooener dan het eerst begroeten ’t Water lag wijder en de uitheemsche drooemen Die jarenlang ons kwellend bloed verzoetten, Zijn iederen dag levend tot ons gekomen. Wij gleden in de gondels het verleden Tegen
Tag: gedicht aanwezig
Venetië II-III
Voor Bram II Wie kent u, stad, ofschoon hij van u spreekt? Wie kan uw lente en schoone herfst verhalen, Verweerde steenen, roestende metalen: Hortensia’s, wier kleur is ingebleekt? San Marco, dat met koepels en portalen U aan ’t onmeetlijk
Parijs I
Voor Bram Dit is Parijs: oneindigwijde pleinen (Omgromd van veil rumoer, en bonte seinen Bliksemend tusschen zinloos snelverkeer) In een vreemdgulden eeuwig lenteweer. Van stille en van stuivende fonteinen Is ’t laag ombuigen en het hoog verdwijnen In een vaag
Parijs II
Voor Bram Glimlachend prachtige, en donkerrosse, Doordonderde en ongerepte steppe, Over uw zwijgen en uw razen kleppen De klokken als de spechten in de bosschen. Dagelijks komt dit kloppen tot uw hart En dringt steeds dieper met de bloeddruk binnen
Brugge
Wat zal het heden schoon in Brugge zijn! Deze verstilling van het onverwacht Vereeuwigde, en ’t nieuwzijn van de nacht Over de rijpe witte maneschijn! De bladeren, doorschijnend en verguld, Suizen rond ondoorgrondelijk verkoren Verbeeldingen, die dood en weêrgeboren Den
De ‘eerste dame’
Ik ben de bloemtak die het huis versiert. Van een zeer ouden stam ben ik gerukt. Mijn heer vereert mij als zijn eerst bezit. Soms uit de kennel van de concubinen Wringt een hoogzwangere zich en werpt haar dracht Voor
Kwan Yin
Ik heb een god van groene jade En een godin van rood ivoor. Tusschen die beiden (smalle manestraal, Melkwitte spleet in een bont kraalgordijn) Over de kleine aandacht harer handen Gebogen, staat, koel, onaantastbaar, Kwan Yin, ’t Barmhartige onkenbaar hart
De doode keizerin
De keizer rustte; zeven mandarijnen Tezaam gekoppeld met hun lange staarten, Trokken op roodgezoolde vilten laarzen De jonk zeer statig aan een zijden lijn. De keizer rustte; zijn naar generzijds Ontwaakte noren hoorden in het ruischen Van riet en water
De vlucht
Onder de breede schermen van de ceders Stond ’s avonds laat nog als een heete zuil De zware harsgebalsemde zomerlucht. Laag boven de aarde als barnsteenen Dogen Loerden de groote doffe steenlantaarns. Gij sloot den harden zweetgelooiden gordel Eng om
De goudvisschen
De Zoon des Hemels heeft mijn hart verheugd. Vanmorgen bracht, gehuld in groene zijde, Zijn kamerheer een porceleinen vijver, Een groote kom, waarlangs glazuren lotus En riet en lentelijke bamboe rankt. Ademloos schouw ik ’t binnenzijdsche wonder: Drie visschen, goud