Mijn waarde vriend, hoe ik den dag verdoe? Ziehier ’t verhaal, dor als een zakenlijst. ‘k Ontbijt als boer met brood en knoflook Nadat ik ’t lauwe water slurpte Mij door mijn lieflingsvrouw gebracht. Ik kleed mij als een achtbaar
Tag: gedicht aanwezig
Kinderloos
Ik vloek de goden, want ik heb geen zonen. Mannen verheugen zich in ’t eeuwig leven Van hun geslacht en hopen weer te keeren Al is ’t na duizend of tienduizend haren In ’t manlijk lichaam eens nakomelings. De hemelheeren
Haat
De priesters hebben mij altoos gehaat Omdat ik orthodoxer ben dan zij, En geen papiergeld plak op godgezichten, Om omgekocht stom, doof en blind te zijn. Ik voeg mij naar ’t onwankelbaar beschikte. De goden heerschen en wij moeten bukken.
Het lied
Verre geliefde, die straks tot mij komt, De thee dampt, eet de versche bamboespruitjes, Geniet de lente met een helder bloed. Mogen de geuren van de keizersthee U lentes liefdeduizeling verleenen. Zie, uit de harde oude bamboestaven Sneed ik mijn
De spiegel
Wij glijden in uw zaal Zoo zacht als een ijl dons, Maar gij betoovert ons Tot een ding hard als staal. Meedoogenloos, scherp waar Stelte ge ons voo roogen, Wat wij opsierden, bogen, Wat eerlijk is èn naar. Wij dáár
De minnenden
De hemel is zachtgrijs Als de as van een cigaret. Er is niemand die op ons let Dan de speelman met de zeis. Over de jonge sneeuw, De glinsterend reine, Schaduwt zijn fijne Wapen, wij geven geen schreeuw. Wij weten
Prediker
Hij voelde zich vermoeid en neêrgeslagen. En wàs hij of gevoelde hij zich oud? Hij kende liefde en de macht van goud En dat de mensch niet veel geluk kan dragen. In de heete uren van de herfstdagen Lag hij
De krankzinnige
Zij zeggen, dat ik zo verstandig praat, En dat geen trek in mijn gelaat Verraadt dat ik krankzinnig ben; Dat ik wel gek, maar zeer zachtzinnig ben. Maar of mijn zinnen krank zijn, Mijn geest kan toch wel blank zijn
De dominee
Hij zit elke week preken te maken, Die de gemeente Zondags komt horen. Hij moet dopen als er wordt geboren En in het sterfhuis een zucht gaan slaken. Daartussen ligt een lange reeks van jaren, Waarin men tot hem zegt:
Het jubileum
Hier zit hij nevens zijne gemalin Die hen met ’t Woord vertroostte en bezeerde, Tegen hun reglementen rebelleerde, En veel te veel verdiende naar hun zin. En hoeveel zegen heeft hij hier genoten! At hij niet van hun koe en