Haat

De priesters hebben mij altoos gehaat Omdat ik orthodoxer ben dan zij, En geen papiergeld plak op godgezichten, Om omgekocht stom, doof en blind te zijn. Ik voeg mij naar ’t onwankelbaar beschikte. De goden heerschen en wij moeten bukken.

De gek

’t Is, of ‘k al verder van mijzelven dwaal. Ik zit in ’t middelpunt van een spiraal, Die uitzet als een wijde hoepelrok, En vastgemaakt aan een baleinestok, ‘k Word weggecirkeld, en ik lach mij krom, Ik draai vanzelven tot

Stil zijn

7/10 vroegste gedichten van Willem de Mérode Golf heen en weder, gouden korenmeer; Versmelt u, zonnegoud, met ’t goud der aren; Zucht, zomerwind, uw zangen door de blaâren; Fladdrende vlinder, daal in bloemen neer. Huw, stilte, u aan beweging. Werk,

Het lied

Verre geliefde, die straks tot mij komt, De thee dampt, eet de versche bamboespruitjes, Geniet de lente met een helder bloed. Mogen de geuren van de keizersthee U lentes liefdeduizeling verleenen. Zie, uit de harde oude bamboestaven Sneed ik mijn

De hulst

Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester, Staat glanzend aan de rand der maatschappij, Betuttelt alles en hoort nergens bij, En is van komaf een gewone heester. Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt! Daarom heeft hij zo’n stekelige glimlach. Hij

Het meisje

Egyptische grafschildering Zij is een nauw ontloken lotos, Maar veel hulplozer en droever. Zij is als een smalle boot, los Van de nog nabije oever. Zij is niets dan een kleine leegte In dit boordevol heelal, Want zij smachtte, maar

Gestorven

8/10 vroegste gedichten van Willem de Mérode Gestorven!…. Leg haar hoofdje neer, Bleek in de bleeke maneschijn. Geen angstig roepen wekt haar meer; Schrei niet; ’t moet rustig om haar zijn. Voor ’t laatst die bleeke mond gekust, Fluister nog