Toen hij gedaan had wat hij wou, Begon er in hem een bedroeven Of hij moest wenen bij een groeve En nooit meer vrolijk wezen zou. Vlak naast hem was de vette vrouw, Nog naakt, zich wassend, of de schande
Tag: gedicht aanwezig
De achtervolgde
Een oude schaapskooi of een wrakke schuur Waren zijn onderdak, maar nauwlijks veilig. Hij sliep, en nimmer was zijn slapen heilig. Hij droomde van vervolging, mes en vuur, Woelend op ’t bed van schapenmest en heide. Hij werd omringd, doorstoken
De landlooper
Is het zoo erg dat ik geen koopman ben Of dominee? moet ge u voor mij geneeren? Ben ‘k sjofel? Een minister dien ik ken Zit niet veel netter in zijn nette kleeren. Ons stoflijk hulsel leggen wij straks neer.
Begrafenis
Hij is bepaald heel net gekist: gekleed kostuum; op mat fluweel doet dat heel goed, ’t is rijk en eêl. Wat zou hij trots zijn als hij ’t wist. Het glas heeft een geslepen rand. De schuif is van licht
Boerenfeestmaal
Het is november en wij eten Nu van ons vetgemeste zwijn: De grote hammen en het klein Gesneden spek, en, niet vergeten, De lever en de fijne nieren, De dikke kronkelige worst; Het is wat zwaar en geeft ons dorst,
Het horloge
Hij keek wantrouwig in zijn haarge hand, Of daar iets kostbaars lag en fonkelde. En zijn angstig gezicht verdonkerde En werd vreemdrood als bij een grooten brand. Hij sprak: de doode lag, een ruige wal; Mijn handen klommen en tastten
De doove vrouw
Zij zat te sluimren in het ijl prieël Van ’t kroegje, waar wij wijn te drinken vroegen. Ze ontwaakte en zag verbaasd en met genoegen Hoeveel wij joegen door de jonge keel. Wij merkten wel dat zij ons niet verstond
Het dienstmeisje
Voor haar is iedere dag een raam, Dat zij afspoelen moet en zeemen. Maar soms is er een, blind als veemen, Dat haar verschrikt, en zonder naam. Dan denkt zij aan haar vrijen avond, De vreugd van dans en bioscoop,
De gek
’t Is, of ‘k al verder van mijzelven dwaal. Ik zit in ’t middelpunt van een spiraal, Die uitzet als een wijde hoepelrok, En vastgemaakt aan een baleinestok, ‘k Word weggecirkeld, en ik lach mij krom, Ik draai vanzelven tot
De hulst
Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester, Staat glanzend aan de rand der maatschappij, Betuttelt alles en hoort nergens bij, En is van komaf een gewone heester. Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt! Daarom heeft hij zon stekelige glimlach. Hij