De visch

Zij sprongen in het water, en zij speelden Wild met elkander, en er was gevaar In deze lust, dit drijven, dat zij deelden. En langzaam voelden zij de diepte, daar Een kracht hen tilde en droeg, en telkens weder Naar

Werken

Gij weet, o God, hoe wij verlangen Naar alles wat tot vrede dient; Maar ach, wij weigren vaak te ontvangen Genade van den trouwsten Vriend. ’t Valt zwaar ons vrij zijn te beperken Naar ’t wenken van Uw stil gezag.

Afstand

Zie af van alles! – Heer, dat is Verlaten al wat sterflijk is, En wat, onsterfelijk, het meest Ons heeft getroost naar ziel en geest; Om zóó, van allen schat ontdaan, Gansch onbezwaard tot U te gaan, Een openheid, die