Koningin bij de gratie Gods Naar u trok ’t droomen onzer knapenjaren, Jonge Vorstin, en met ons houten zwaard, Werd ’t manlijk avontuur der middeleeuwen Door ons beleefd in al de gouden dagen Die met hun onverdoofbren luister lichtten Rondom
Tag: gedicht aanwezig
Kwatrijnen
Hebt Gij mij lief, die mij wreedaardig slaat ? ‘Tot stof verstamp ik al uw zonde en haat. Eerst als de zandhoos is voorbij gestoven Ziet gij de zonneschijn van Mijn gelaat!’ * Gij maakt het tastbaar donker voor mijn
De visch
Zij sprongen in het water, en zij speelden Wild met elkander, en er was gevaar In deze lust, dit drijven, dat zij deelden. En langzaam voelden zij de diepte, daar Een kracht hen tilde en droeg, en telkens weder Naar
De vader zegt:
Kan er wel een zoon zijn Die ons zóó bezit, Dat wij voor hem schoon zijn, In ivoor of git Scherp gebeeld zijn eigen Vorm van goed en waar? Zal hij blij zich nijgen Over den beeldenaar? Zijn wij niet
De nieuwe knecht
Zwijgend taxeert de boer den knecht! Armen en beenen lang en pezig; Groothandig; borstkas iets te vleezig; De schouders knoestig; scherp en recht De kop, met, als een vrielucht fel, Blauwe oogen; neus smal; haren hel; Ooren ver van het
Lijdelijk
Ja, zegt zijn grafstem vaak, de mensch is zeer verdorven, En gansch verdoemelijk, geneigd tot alle kwaad, Ten goede nooit bekwaam, den hemel afgestorven. Dan zwijgt hij, en berust in zijn ellendestaat. Berusten? moest hij niet, zijn oogen vol ontzetting,
Werken
Gij weet, o God, hoe wij verlangen Naar alles wat tot vrede dient; Maar ach, wij weigren vaak te ontvangen Genade van den trouwsten Vriend. ’t Valt zwaar ons vrij zijn te beperken Naar ’t wenken van Uw stil gezag.
Afstand
Zie af van alles! – Heer, dat is Verlaten al wat sterflijk is, En wat, onsterfelijk, het meest Ons heeft getroost naar ziel en geest; Om zóó, van allen schat ontdaan, Gansch onbezwaard tot U te gaan, Een openheid, die
Gij komt…
Gij treedt als vreemdling bij ons binnen, En blijft en zijt ons toegedaan, En zijt beminlijk als die minnen, En rust in ons verstild bezinnen Als geurig in het blanke linnen Venkel en thijm en rozeblaân. Oopnen wij ’t schrijn
Hoe heerlijk moet de hemel zijn
Hoe heerlijk moet de hemel zijn, Als de wereld, die is gevallen, Nog zóó schoon is, dat God ons allen Losrukken moet met veel pijn: Dit verrukkelijk bloeiend onkruid; Geurige thijm en koele rozen; Vogels met wild vervoerend geluid; Fiere