De minnende

Ster, die Gods bevel vernaamt, Lampion in zijn omwingerd Lustprieel, die, weggeslingerd, Suizend tot mijn wachten kwaamt, En uw goudspoor door het duister Trekt, en u voor mij onthult, Tot uw fluitend roepen fluistren Wordt, die bij mij dooven zult,

De oude dame

Haar welke mantel was als een verschoten Roze karton; zij zelve was het boek, Het achttiende-eeuwsche; fijn gestoken groote Vignetten leken: op haar zijden doek, (De zeer eenvoudig langs haar borst geplooide) Een gitten broche, in glad gouden rand; En

In de moskee

Hij wandelt daaglijks tussen de pilaren En de klimrozen en de ruisfontein. Hij kent: de groene vanen en het plein Waar vreemden naar de goudspiralen staren; De Koraanspreuken boven ’t deurgordijn; De egale zon; der schaduwen slagorden, Die zwart opdoemen,

Een dichter

Toen hij verouderde, en een zich vermoeien, Dat eerst bekeken werd als zeldzaam kruid, Voortwoekerende groot werd en bleef groeien, Zichzelf herzaaiend en door niets gestuit, Wilde hij rust, en niet meer zijn bewogen, Door wat hij eens ontroerd terneder

De nacht

Gij zijt maar zelden helder en vol licht Van maan en sterren, en met spiegelingen, Koele aandacht en ontzag, en schaduwingen Als in een groot Egyptisch aangezicht. Gij kúnt zoo zijn, des zomers als de dans Der aarde langs de