Finis

Wij weten niet wat komen zal ’t Hart kent alleen wat is geweest De vrede van een stillen geest, Vervreemding, duister, overal. Maar smart en onrecht zijn voorbij. Wij keerden weer tot liefdes wijk. Als kind’ren van Gods koninkrijk Zijn

Luther

Hij was en bleei een drift gebonden boer, Die zingen kon zoodat het klooster dreunde, ’s Avonds sloeg hij verwoed op schonk en schoer, En niet de duivel, maar hij brulde en kreunde. Tusschen zijn IachIust en bezetenheid, Dit felle

Calvijn

Hij met de doodskop en fanatisch boos Van baard en ogen, kon geluk ontberen. Waarom de Souvereiniteit des Heeren Juist hem tot feilloos treffend wapen koos? Hij wierp zich ziende in het grondeloos Diep van Zijn eeuwige genaverbonden; Verheffend bovenal

Stilte

Mijn verlossingsjaar is gekomen. Jes. 63 : 4. Hoe anders komt Gij dan wij denken. Temidden ’t hoog rumoer van strijd Is ’t, of er plotseling een zenke Vol stilte en zon ons openleit. ’t Geschut krijscht over onze hoofden