Ik weet niet, wie hem in de kram Gezet had aan den blinden muur, Wie hem ontstak, wel wie hem nam En voor mij uit zijn ronde vlam Droeg tot ik veilig binnen kwam. Voor mij droeg hij Gods vuur.
Tag: gedicht aanwezig
Finis
Wij weten niet wat komen zal ’t Hart kent alleen wat is geweest De vrede van een stillen geest, Vervreemding, duister, overal. Maar smart en onrecht zijn voorbij. Wij keerden weer tot liefdes wijk. Als kind’ren van Gods koninkrijk Zijn
Dankliedje
Wij hebben niet elkaar gezocht, Maar – ’t was zoo voorbeschikt – gevonden. Gij voeldet dat ik vreesde en vocht En hebt me aanvaard met leed en zonden. Gif gaaft uw liefde, de eisch der wet, Zonder bedenken, en met
De dichter
Er leven velen in hem, maar zij sluimren. Hij mag hen niet ontwekken, en hij wacht Of geen zich wakker woelen zal, en zacht, Een duif, tot t leven kringlen zal en tuimlen. Als hij hun schaduw in de grijze
Luther
Hij was en bleei een drift gebonden boer, Die zingen kon zoodat het klooster dreunde, ’s Avonds sloeg hij verwoed op schonk en schoer, En niet de duivel, maar hij brulde en kreunde. Tusschen zijn IachIust en bezetenheid, Dit felle
Calvijn
Hij met de doodskop en fanatisch boos Van baard en ogen, kon geluk ontberen. Waarom de Souvereiniteit des Heeren Juist hem tot feilloos treffend wapen koos? Hij wierp zich ziende in het grondeloos Diep van Zijn eeuwige genaverbonden; Verheffend bovenal
Zeventiende-eeuwsche predikanten
Zij waren hard, en sloegen op het Boek, Wanneer de superstitie der papisten Hen driftig maakte; en wee den ongodisten Onder den gepraedestineerden vloek. Hanteerden zij het geesteszwaard zeer kloek, Zij troostten en verkwikten meer, en wisten De zoetheid van
Afgescheidenen
Niemand spreekt meer van koksianen; Van fijnen en motregen weet men wèI. De glans van een scheldwoord gaat gauw tanen, Maar de haat is nog laaiend als de hel. Men vormde een ring om ze neer te beuken. Dat is
S. Teresa in extaze
Het is een langzaam stijgen in het niet, Een in het ondoorgrondelijke verzinken; Het is gebonden in een zak verdrinken, Aanspoelen tusschen hemels oeverriet. Het is een zeIfhandhaving en een rusten Van het lichaam dat zwoegt om te vergaan. De
Stilte
Mijn verlossingsjaar is gekomen. Jes. 63 : 4. Hoe anders komt Gij dan wij denken. Temidden ’t hoog rumoer van strijd Is ’t, of er plotseling een zenke Vol stilte en zon ons openleit. ’t Geschut krijscht over onze hoofden