Simeon

Hebt gij tóch, mijn stramme leden Met uw zonnelieflijkheden Koesterend, uw knecht herkend, Kind, dat in mijn arm geheven U gewillig aan het beven Van de grijze wereld went? O mijn moedelooze hopen ! Jaren kwamen, en verkropen, Wijl Gij

Anna

Lucas 2:36 Toen de dood den sterken stengel, Waar mijn liefde op was geënt, Doorsneed, heeft mijn hart den engel Aan zijn wijze en werk herkend. Streng, met opgeheven vinger, Nauwlijks trad ik in de rei, Wees hij me uit

Kerstmis

Uw genade komt ons dekken. Over donkerheid en vlekken Vlokt de stille witte sneeuw. Uit het galmgat van den toren Bomt de klok en blaast de horen De aanvang van een nieuwe eeuw. Ergens reutelt het gedempte Borlen van een

Kerstmis

Over de wereld ging de lente komen. Gods Geest is neergezweefd en als dauw Gedruppeld in de heete ziel der vromen En deed een Kind ontluiken uit een vrouw. Den hemelen ontvloeiden witte stroomen Engelen, en hun blinken rees en

Dichten

Denkt gij dat dit gelukkig maakt, Dichten en eenzaamheid? en noodig Te hebben wat gij overbodig Noemt en als tijdverbeuzlen laakt? Het is stilzitten in zonneschijn, En den wind voelen, en den regen Nastaren, en den hemel tegen Vliegen als