Het pluis

Toen hij haar een paar dagen liefhad, Verveelde zij hem zeer. Haar denken was maar een kleine stad, Haar ziel een kalm meer. Hij had gehoopt, angstig te verdwalen In een metropool, Voor zijn verlangen schatten te halen Van evenaar

Zwijgen

Zoo wij, genezen van de zonden, – O dood, waar is uw prikkel nu, – Een lied met nieuwe woorden vonden, Het is alleen ter eer van U. Een kind aan moeders borst verzadigd, Glimlacht en slaapt tevreden in. Sluit

De slang

Ze is opgetogen door de buurt gegaan En heeft het laatst sensatienieuws besproken Met naaisters en die in de winkels staan Het kwaad gesierd en ’t goede afgebroken. De rijke zieke heeft zij zeer gevleid: ‘Wat is er veel van

Toekomst

Dat wij dit droomen dorsten, En bewust ernaar streven: Eens onder uwe vorsten Als gelijken te leven. Misschien meer, misschien minder Aan wijsheid en goed, Maar even fel doorzinderd Van uw liefdesgloed. Die Uwe toekomst koos Vol mateloos begeeren Moet

Herinnering

Misschien geeft dit u troost: te weten, Dat ge onaantastbaar, onbesmet, In boventijdelijk vergeten, Staat in mijn hart en mijn gebed. God heeft zijn vredige avondstonden, Wijd als zijn goedheid en geduld, Weer tot de wereld uitgezonden, En ieder hart

Najaar

Onwezenlijk en los van tijd En wat hen bindt aan ’t aardsch bestaan, Achter den droom der sterflijkheid Gezwenkt, vangt voor den hof het wonder aan. Sinds gisteravond, toen ’t azuur Sluierde in paars en somber goud, En maan haar