Toen hij haar een paar dagen liefhad, Verveelde zij hem zeer. Haar denken was maar een kleine stad, Haar ziel een kalm meer. Hij had gehoopt, angstig te verdwalen In een metropool, Voor zijn verlangen schatten te halen Van evenaar
Tag: gedicht aanwezig
Zwijgen
Zoo wij, genezen van de zonden, – O dood, waar is uw prikkel nu, – Een lied met nieuwe woorden vonden, Het is alleen ter eer van U. Een kind aan moeders borst verzadigd, Glimlacht en slaapt tevreden in. Sluit
Het gastgeschenk
Het was een losgeraakte zode, Vol riet en biezen, vrije wijk Voor schuwe vogels, die hun bloode Broed tuchtten in dit bloeiend rijk. Soms kwam er doelloos aangevaren Een vreemde, en landde met geruisch, Sliep tusschen bloemen in bij ’t
Uit een zolderraam
Hier ziet men niets dan daken; prachtig zijn Door ’t leven zij vervormd, en zoo gekorven, Als mannen die het ijzren kruis verworven Hebben, en na den slag veel zachter zijn Dan vroeger, en zeer veel menschlievender. Zoo laten zij
De slang
Ze is opgetogen door de buurt gegaan En heeft het laatst sensatienieuws besproken Met naaisters en die in de winkels staan Het kwaad gesierd en ’t goede afgebroken. De rijke zieke heeft zij zeer gevleid: ‘Wat is er veel van
Toekomst
Dat wij dit droomen dorsten, En bewust ernaar streven: Eens onder uwe vorsten Als gelijken te leven. Misschien meer, misschien minder Aan wijsheid en goed, Maar even fel doorzinderd Van uw liefdesgloed. Die Uwe toekomst koos Vol mateloos begeeren Moet
Zomers einde
Er is een groote regen losgekomen, Zooals soms in ontruste nacht de droomen Van een heel leven, saâmgedrongen Tot één droom, door ons slapen zongen, Zoo is de zomer in dit zware ruischen Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Herinnering
Misschien geeft dit u troost: te weten, Dat ge onaantastbaar, onbesmet, In boventijdelijk vergeten, Staat in mijn hart en mijn gebed. God heeft zijn vredige avondstonden, Wijd als zijn goedheid en geduld, Weer tot de wereld uitgezonden, En ieder hart
Najaar
Onwezenlijk en los van tijd En wat hen bindt aan ’t aardsch bestaan, Achter den droom der sterflijkheid Gezwenkt, vangt voor den hof het wonder aan. Sinds gisteravond, toen ’t azuur Sluierde in paars en somber goud, En maan haar
De leeuwenkooi
Wat spel was, is gevecht geworden Zijn oogen beurtlings rood en groen, Blindlichtten, flitsten en verorden, En werden onaantastbaar groen. Dit weet hij: en zijn puntig witte Gebit bloot in het roode vleesch, Om met één toeslaan te bezitten, Heft