… tot de Morgenster opga over uwe harten. O gij, die, als ‘k mijn oogen Inslapend, sluiten moet, Mij van nabijen hooge Troost met uw gouden groet. Wanneer de hemel ’t teêrste, Diep lentegroen, verkwijnt, Zijt gij de stralende eerste,
Tag: gedicht aanwezig
Verklaard?
Als ik zwak ben, ben ik machtig. Nu en nimmer te verklaren Is het hemelsche verdriet, Dat Gij, ach, door zooveel jaren, Landman, voor ons zaaien liet. Voorlijk is het opgeschoten, Afgezicht en weer gewekt, Uitgerukt en toch ontsproten, Zelf
Een dorpsjongen
’t Land is een uitzicht van den toren groot Als ’t feestdag is; gewoonlijk, in de week, Zoo ver als vader door het venster keek; Daarbinnen ligt de wereld en haar nood De sloome zorg voor zéker daaglijksch brood; De
Stillen in den lande
Zij weerden van hun oogen den avondglans der stad, Licht, duizlig aangevlogen, dat zich gespiegeld had In mist en ademtogen, een parelmoeren schat. De weelde van het leven, beschaafd en ruw genucht, Bleef in de straten zweven, als wolken van
De rijke jongeling
Toen ik den Meester had gevonden, En, teeken mijner heerlijkheid, Voor Hem ontrolde het tapijt, Waarop wij samen rusten konden, Beminde Hij ’t gebaar, en sprak, (Hoe scheen mij ’t kostlijk kleed geschonden; Hoe snel had ik het opgewonden,) Dat
De zoekenden
Wie spreekt den avondzegen? Emmaüs is nog ver. En de Heer kwam ons niet tegen. Boven Bethlehem staat geen ster. Wij weten niet of Hij geboren Is gisteren of gedood. Wij dwalen dieper verloren In den doolhof van nood. Wij
Hemelsch avontuur
Het donkre huis ontweken In ’t middernachtlijk uur, Heeft geen ons nagekeken Op ons hemelsch avontuur? Wij deden de ruit niet rinklen, Klimmend door ’t open raam. Zacht gezoold op de sintlen Stonden wij daar saâm. Wat wij in haast
Kerstmis
Vooravond t’ Zal kerstmis worden en ’t is stil. Een vroege winter sloeg het leven, Ach God, zooveel is dood gebleven, Dat, nu ’t te laat is, bloeien wil. De tuin, nog blad-en bessenrijk, Ligt zwartgeslagen en bedorven. ’t Wordt
Engelenzang
De engelen zijn begeerig in te zien. 1 Petrus 1: 12b Wachtengelen, die nederschouwden Naar de bewaasde wereldkust, Verkondigden: ’t is of iets blauwde Op ’t gele zand: Maria rust. En later : ze is ter stad gereden Met Jozef,
Maria
Toen de Geest u overschaûwde Met zijn glorie en genâ, Toen het Leven in u dauwde, Droegt ge uw stille wezen dra Als in liefelijk benauwde Lente een zware winterwa. Hebt gij deze lange dagen, Onberoerd en onverlet, ’s Heeren