De brief

Toen de avond de kamer innam, Werd de spiegel met licht gevuld. De brief, die ik niet meer lezen kon, Glansde koel als het zachte gezicht Van een kalm gestorvene, Wiens lippen een vleug warmte vasthouden Om onze laatste kus

Genezing

Dagen zijn gegaan, nachten gekomen, Duisternissen verdreven, en de wind Heeft ergens bleeke lichtgolven genomen En mijn oogen aangewaaid; en opnieuw begint Dit vreeslijk ademhalen, en het luwen Der jaargetijden draagt mij in zijn schoot. En ik voel mij overwentelen

Na de bui

Voor Jaaps 19e verjaardag op 19 mei 1926 De bui was nog niet afgedreven, Toen wij bedroefd den tuin in gingen, Waar afgerukt de rozen dreven En hulploos in de struiken hingen. Het bitter geuren der seringen Heeft zich met

Brussel I

Groote Markt Gul en kunstzinnig is het volk geweest, Statig van bouw en prachtig blauw van oogen, Die gretig-wijd het gouden zonlicht zogen, Geestig van zin en zinnelijke van geest Hun huizen zijn als vrouwen op een feest, Voornaam en