delen I, II en III I – De rouwtoorts II – De gedroomde zoon III – De zachte fluit (bij Mozarts Krönungsmesse)
Tag: gedicht aanwezig
Introïtus (Ps. 4:7)
De knoppen der kastanjes kleven, De struiken schieten kreuklig uit, En t glimmend rijs, dat nog niet spruit, Staat met gespannen bast te beven. De sappen stijgen in elk leven Dat zich voor Uwe drang ontsluit. Heer! Zie uw dienaar!
Kyrie
De bloemen dringen om U samen: De rozen koninklijk en rein In roode zijde en wit satijn, Edel van stam en hoog van namen; In geur van meidoorn en seringen Der duizendschoonen stijve rij; En wereldsch in bruingouden pij De
Gloria
Nu is de lucht zoo teeder en groen Als ’t ritselen der vroege lente. Knapen plantten hun blanke tenten In schaduw van het forsch plantsoen Nu, na den lang genoten dag, Liggen ze stil omhoog te staren Enzien de sterren
Credo
Uw handen lieten t leven stuiven Gelijk een bloem het gulden meel. En kinderen ontloken, heel Zijig en roze als duiven. Zij moeten langs Uw licht verschuiven Gelijk het schaduwend gespeel Van vingeren, en aller deel Is, dat de dood
Sanctus
Gij hebt de geselende regen Gedreven door het dorrend lof. Tot vaste vloet ligt ’t mulle stof Gebonden langs de hete wegen. Een vogel, uit zijn vleugelveren Klappert een kleine zilverbui, Verschikt zijn natte halskraag lui, En fluit verwonderd een
Benedictus
Gezegend, die de rozen doet Onder Uw lach ontluiken Aan de verbolgen struiken In glans van sneeuw en bloed. Gezegend, die de vogels hoedt, En lokt een schuwen zinger Heel teeder op Uw vinger, En wekt het nestend broed. Gezegend,
Agnus Dei
Wij gingen onze ziel belasten, O lam, toen wij uw leven eêl Vol dartelheid en lief gespeel, Niet hoedden voor ongure gasten. Er was een hand, die zoekend tastte, Over het kloppen van uw keel, En met een snelle snede
Benedictie
Ons is zoo wonderlijk te moede: Niets kan ons bloeien nu nog keeren. Want om ons is de glans des Heeren En wij zijn vol van Zijnen bloede. Zijn liefde kwam ’t heelal ten goede, En Hij zal, ons beminnen
Onweer
De paarse bliksem kliefde De gele lucht. De bloemen geurden liefde En zetten vrucht. In velden wit van damp Stond ’t koren te verflenschen. Bij nood werende lamp Zaten de tamme menschen In een geladen sfeer Van angst en liefde.