I Museo Vaticano Hoe zouden goden onder mensen wònen? Ach, zij vertoeven slechts een korten tijd, Dat men hun trouw en onderworpenheid En dan een leven van verlangen toone. Het was den keizer, of een flits van zon Door zijn
Tag: gedicht aanwezig
Envoi
’s Nachts is mijn geest de heemlen doorgetogen, En scheerde langs der Alpen scherpen top, En ving den glimlach van de meren op, En kwam als maanglans tot uw slaap gevlogen. Hebt ge u niet even onbewust bewogen, Als droom
Opdracht
Voor u dit boek vol zaligheden En dronkenschap en bitterheid, De zoete wierook der gebeden, De tranen in berouw geschreid; En alles wat God toe zal reeknen En wil vergeven en vergeet; De wondre duiding zijner teeknen, Wat ik, verkeerd,
Als mij geen nieuwe lente op aarde vindt
Als mij geen nieuwe lente op aarde vindt, Verwaait mijn minnen in den luwen wind, En zoelt den stroom des bloeds in jonge leden En maakt helle oogen ’s avonds zalig blind.
Heer, wat mijn verre vaderen misdeden
Heer, wat mijn verre vaderen misdeden, Moet weder in dees ééne ziel geleden? Geef mij ook hunner liefden hooge som En ’t heil waarom zij baden en fel streden.
Wat ‘k van dit Leven tot Uw huis wou dragen
Wat ‘k van dit leven tot Uw huis wou dragen Hebt Gij verwoed mij uit de hand geslagen. Waarom zendt Gij mij op een nieuwen tocht, Daar ik niet naar een beetren schat kan jagen?
Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden
Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden, Die niet verloren ging in schaamte en zonden, Wat weet hij van Uw goddelijk geduld? Uw diepste liefde heeft hij nooit gevonden.
Ik kan den ganschen dag van rozen zingen
Ik kan den ganschen dag van rozen zingen. Wild ranken om u mijn herinneringen, En alle ranken bersten uit in bloei. Maar welke roos kan met u mededingen?
Is liefde lijden? waarom het te sussen?
Is liefde lijden? waarom het te sussen? Een laaiend vuur? waarom het uit te blusschen? Beter is ’t in den fellen brand van leed Zich dronken zoenen en zich nuchter kussen.
Gooi op de steenen van uw dobbelspel
Gooi op de steenen van uw dobbelspel. Liefde, beslis, wat wacht mij, wee of wel? O, aan het vreemde glanzen uwer oogen Weet ik: alleen het ongeluk komt snel.