Hij kent nog niet de harde tucht, Die ook de zuivre ziel moet stalen. Zijn vingers dwarrelen en dwalen De toetsen over, en hij zucht. Snel is de schuchtre ziel gevlucht Achter den galm van kerkkoralen. Dan stampt hij driftig
Tag: gedicht aanwezig
De bekoring (Middeleeuwsch)
Daags lag hij voor het zonwarm raam te droomen En ’s avonds staarde hij in ’t vlammend vuur, Of zag de schaduws dansen op den muur, Een duivelsche verschrikking voor de vromen. En door zijn bloed ging de bekoring heen,
Het lijdt niet lang meer…
Het lijdt niet lang meer, als ik dood zal zijn Verkwijnt aan mij de vage herinnering In ’t stille en afgesloten kamerken Der jonge hoofden, die ik heb bemind. En als een zware dof plompende steen Verzinkt mijn liefde
De zwemmer
Voor Dick Hij zag mijn stijgende bewondring wel Toen, wiegelende, hij naar t water schreed, En blank en onverhoeds daarin vergleed: Wolkonderschept verblindend zonnespel. Even een stilte dan een ruischen snel Verscheen zijn lachend hoofd; een glinstrend kleed, Viel t
De vrienden
Bij het portret van Jaap en Okke Hun houding drukt hun diepste wezen uit De grootste zit, in wakkren droom verloren, Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren, De nachtegaal die in harts meinacht fluit. Hij wond
De jongen
Wanneer een jongen stil en rustig groeit, Wordt klaar de snelle stroom van zijn gedachten, En aan de wallen van bloeds donkre grachten Staat de boom van zijn goedheid vast en bloeit. Lichaam en geest zijn beiden onvermoeid. Hij haat
De imitatione Christi
Er zweeft een geur van wierook om de woorden, Die wonderlijk weldadig is en zoet. Zoo heerscht de rust in ’t kinderlijk gemoed Der sterk en argeloos van God bekoorden. De vuige zonden zijn zoo schel belicht, Wijl wij ze
Jonathan
Zijn kleedren had hij niet alleen geruild En kostbaar wapentuig, maar ook zijn leven. Hij had zijn wijsheid en zijn kracht gegeven En wat in harts verholen diepten schuilt. Voor simpele eenvoud, sterke aanhanklijkhêen, Bood hij het den gebronsden jongen
De gekrenkte jongen
Meen niet, dat hij te schreien stond, Toen hem het giftige antwoord stak. Hij voelde, dat iets in hem brak, Maar hield de glimlach om zijn mond. Even vertroebelde zijn oog, Maar daadlijk keek hij strak en koel. En sterk
Nolite iudicare
Hij heeft de hoge tol betaald Om rust te vinden: Zijn jonge leven! O dood, wat draait ge uw zware boom Gewillig open Voor die wanhopig zijn. Hij liep het grote donker in, Zó zeker, Of hij de hel verlichte