Petrus

Hij stond wreed voor den rechterstoel gebonden, En zij verweten mij zijn vriend te zijn En lasterden, wat heilig is en rein, Als laagheid en afschuwelijke zonden. ‘k Zag, hoe zij Hem bespotten en verwondden. Hij leed geduldig smaad en

Berouw

In de schemer het angstige luistren Naar de wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in de regen van ’t duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt

Belijdenis

Zij keken niet, maar wisten ’t van elkaar… Toen huifde een ijl verdooven om hen henen, En ieder zat alleen met stil misbaar De zonden zijner jonkheid te beweenen. En heel de wonderlijke morgen ging Zonder dat hunne zielen zich