Gij smaadt niet die komt vluchten tot uw hart. Gij vloekt niet die door zonden wordt benard. Gij weet het, wien zijn liefde wordt genomen, Is als een bloem, door één nacht vorst verstard.
Tag: gedicht aanwezig
Gij weet te goed, dat ik gebonden ben
Gij weet te goed, dat ik gebonden ben; Dat ik verloren in mijn zonden ben. Al mag ik uw vergiffenis verwerven, Dit blijft: dat ‘k aan mijn ziel geschonden ben.
Zendt Gij de wereld nog geen avond toe?
Zendt Gij de wereld nog geen avond toe? Wij zijn haar langen werkdag al zoo moe. Wij zouden gaarne liefdes sabbat vieren, Als Ge ons maar zeggen wilde waar en hoe.
Over mijn oogen komt de schoons droom
Over mijn oogen komt de schoone droom; Stil zit ik onder liefdes wonderboom. God, wil geen worm van valschep haat beschikken. Laat mij gelukkig zijn, en goed, en vroom.
’t Is goed, dat wij zoo vaak ons handen wringen
’t Is goed, dat wij zoo vaak ons handen wringen, Vertwijfeld trachten tot Uw hart te dringen. Wiens stem niet brak in lust en hevig leed, Kan straks niet met de hemelingen zingen
Hem zijt Gij brood, die honger leed
Hem zijt Gij brood, die honger leed; Hem drank, dien dorst versmachten deed. Die naakt door werelds doornen wringen, Bedekt Gij met Uw blinkend kleed.
Dat Ge eindelijk uw hemel wilde scheuren !
Dat Ge eindelijk uw hemel wilde scheuren! U neerboogt om ons tot U op te beuren. Uw rozen zijn al rijp en donkerrood. De wereld is verwilderd door hun geuren.
Gun mij een wijl dees hooge dronkenschap
Gun mij een wijl dees hooge dronkenschap. O liefde, één teug slechts uit uw gouden nap. Wie van uw laafnis dronk met kuische lippen, Gaat hel van oogen en met vasten stap.
Maria-liederen – I Verkondiging
Groetend wuifde de engel met zijn handen, En het was, of eensklaps wijde landen Open lagen voor haar kinderblik. En in ’t milde hemeldiepe zwijgen Hoorde zij beklemd haar eigen hijgen, En zij aarzelde een oogenblik. O, ze durfde nauwelijks
Maria-liederen – II Geboorte
Toen het kleine kindje was geboren, Bleef er in het hart van zijn verkoren Moeder slechts een moeheid, en ze leed. En ze lachte smartlijk, toen zij even Weer terugdacht aan het eerste beven Van zijn leven in haar, en