Het hofken

Mijn God, geef mij de zekerheid, Dat ons Uw hemel openstaat; Dat ’t schemeren van Uw gelaat Reeds over onze hoofden glijdt. En maak de schemering tot licht En tint de luchten rozerood. We ontberen, smartlijker dan brood, Den glimlach

Wachten

Nu komt het donker met zijn zoet Berouw en met zijn week verdriet. Nu stijgt verlangens lauwe vloed Ter lippen … en gij zijt er niet. Gij zijt hier niet … ik luister stil Naar ’t suien van den wind

Het verlangen

Ik ben een ijle vreemde geur, Die tot een mensch terneder vliegt, Vogel in hemels nest gewiegd, Een zonnestraal uit wolkenscheur; Ik ben een wondervol geneur, Dat men tevreden zachtjes kweek; Versleten volkslied, dat verveelt, Hoort men het zingen aan