Gij waart van God verlaten, Toen ’t donker over de aarde lag ? Maar wat kan mij dat baten: Ik sta verlaten in den dag. Langs heel de bloeiende aarde, Is van Zijn voet geen enkel spoor. Vergeefs speur ik
Tag: gedicht aanwezig
Hoogtijden – III Paaschmorgen
Ik ben met U verrezen, En ken geen leed of rouw. Doods nevelende vreezen Verdampte als morgendauw. Met U was ijzen kilte, Die zwaar lastte op ’t gemoed, En zijn gestolde stilte Nog zuiverend en goed. Mijn deel aan Uw
Hoogtijden – IV Hemelvaart
Zij vroegen, waarom ik naar boven tuur, Daar ‘k U, een stipje, zag verdwijnen, Ik dacht, Gij zoudt de wolk doorschijnen, Als een fel vuur. En toen hun stille licht beneden kwam, Heeft ’t langs mijn oogen niet geblonken. Ik
Hoogtijden – V Pinksteren
Nu vaart Uw Geest de wereld door, En blaast ons hart tot feller leven. Wij willen alles om U geven, En niets van alles gaat teloor. Gij deelt Uw gaven mildlijk uit, Wij reiken gul aan andren over. En die
Hoogtijden – VI Biddag
Wij hebben weer den harden grond geploegd, De kluiten mul gemaakt en ’t zaad gestrooid. Wij hebben naar Uw wil zweetend gezwoegd. Geef ons Uw zegen, of ons loon komt nooit. Gij moet den regen zoetjes nederplengen. De gulle wind
Hoogtijden – VII Dankdag
De laatste wagen is van ’t land gewankeld Het jonge volk zat lachend boven op, Oogen en haar van late zon doorsprankeld. Schuddend en schokkend ging ’t het hoog heem op. Wij mochten samen weer den akker bouwen: Gij, Heer
Aller ellendigen
Wil U over hen erbarmen, Die niet willen en niet weten, Breid Uw teed rste ontfarmen Over hen, die U vergeten. Uwe kindren, die U minnen, Zullen zeker alle dagen, Bij Uw zegen en Uw slagen Zich op uw gena
De lente
Herr, erbarme du dich meiner, Dasz mein Herz neu bliihend wende, Mein erbarmte sich noch kelner Von den Fri hlingen der Erde. Brentano Er is een zoelheid in de lucht gekomen, Die ons verwonderd naar den hemel kijken doet. De
Voor de poort
Wij riepen U tot aan den nacht. Doof bleef Uw oor voor bede en klacht. Wij ramde’ Uw deur met woeste hand, Maar ’t welgegrendeld hout hield stand. En mogen wij niet binnengaan, Wij blijven t’Uwer poorte staan. Waar zijn
Het pleidooi
Heer, ‘k waag niet tot Uw hart te gaan, En ik durf niet van verre staan. Ik wil mij wringen aan Uw voet, Tot Gij mijn angsten enden doet. Helaas, waar is een rouw zóó groot, Dat ik ontkome van