De dahlia

Ge onthield mij zeem en zoeten geur. Dat ik niet zou verbittren, Gaaft Gij mij velerhande kleur: ‘k Mag schittren. De bleeke en diepe gouden pracht Waarin de herfst kan bloeien, Staat dagenlang in mijne macht: ‘k Mag gloeien. O

Aan de stilte

Die de Moeder zijt der ongetroosten, Geen, die eenzaam is, alleenig laat, Uw gelaat verteedert voor de bloôsten, Stelt uw goedheid tegen hunnen haat, Of zij u niet kennen, noch beminnen, Eigenwillig zelf zich troost verzinnen, Hen toch nooit verlaat;

De zoeker

Mijn zoekend zwerven werd slechts dwalen. Voor , zoeken is mijn ziel te mat. De diep-ontroerende verhalen Van liefdes land en lichte zalen Hoorde ik in aller menschen talen, Maar ieder wees mij ander pad. Ik ging elks weg; terzelfder

Liedje

Heel den avond bracht ik zoek, Kijkend naar die warme prenten Die, als eensklaps volle lente, Prijken in het perkamenten Saaie achttiendeeuwsche boek. En ik dacht: wat is dit licht! Wat is dit verfijnd en krachtig! Hoe eenvoudig en hoe

De brief

Het zijn de woorden niet, maar ’t is de geest, Die onweerstaanbaar door zijn ijle koelte Stuwt naar de sferen van de zon’ge zoelte, Waar gij met uw gevoelen zijt geweest. Bij ’t roezelig beginnen van een feest Bevangt mij