Fra Angelico

Deze engelen in gouden luchten Waren anders niet dan ’t argeloos en licht Ademen van zijne ziel en zuchten Sidderende naar Gods aangezicht. In hem rees hun wonderlijk verschijnen En hun ijl vervluchten als een geur. Toen werd eensklaps zijn

August von Platen

Altijd verlangen naar een zacht gelaafd-zijnEn voelen liefde als een onweêr komen,Worstelen om het leven van een vrome,En aan de zonde schuldeloos verslaafd zijn. Naadrend in liefde en altoos uitgestooten,Rein, en verdacht van smadelijk bedoelen,Blozend om ’t eigen maagdelijk gevoelen,Maar

Toorop

Nu heeft de ziel Gods dageraad, Zoo lang verwacht, gevonden. Uit neveling van zonden Rijst altijd weder Gods gelaat. Zijn smartelijke liefdegang Voert haar in ’t dal der rozen, Die bloedbedruppeld blozen, En cieren ziel haar leven lang. Zij doet