Deze engelen in gouden luchten Waren anders niet dan ’t argeloos en licht Ademen van zijne ziel en zuchten Sidderende naar Gods aangezicht. In hem rees hun wonderlijk verschijnen En hun ijl vervluchten als een geur. Toen werd eensklaps zijn
Tag: gedicht aanwezig
August von Platen
Altijd verlangen naar een zacht gelaafd-zijnEn voelen liefde als een onweêr komen,Worstelen om het leven van een vrome,En aan de zonde schuldeloos verslaafd zijn. Naadrend in liefde en altoos uitgestooten,Rein, en verdacht van smadelijk bedoelen,Blozend om ’t eigen maagdelijk gevoelen,Maar
‘The blue boy’
Ik draag het leven in zijn rijksten tooi, Gelijk mijn zachte blauwe zijden kleeren. Een weelge wappering van koele veeren Is ’t aan mijn oren : ’t leven is zoo mooi! Zie mijn gestalte: kostelijk en trotsch De kloeke bouw
Het donkre zelf
(Teekening van Anjana Bertos*) Dit is een beelding van het diepste Zijn, Een wondre warreling van onbewuste Gevoelens, en der donkre zware lusten, Waarmee wij ons bedwelmen als met wijn. Dan wordt eenvoudiger de vreemde lijn En vormt: een droef
Toorop
Nu heeft de ziel Gods dageraad, Zoo lang verwacht, gevonden. Uit neveling van zonden Rijst altijd weder Gods gelaat. Zijn smartelijke liefdegang Voert haar in ’t dal der rozen, Die bloedbedruppeld blozen, En cieren ziel haar leven lang. Zij doet
Wat is er tusschen ons?
Wat is er tusschen ons? De wijde vrede Van avonden; stille genegenheden, Die glanzend zijn gelijk de heemlen klaar; Een innigheid van blikken en gebaar; Een onophoudlijk ongeweten geven, Zooals wij rustig ademen en leven; Een altijd hunkrend en vervuld
Sonnetten – I Onze oogen toonden een genegenheid
Onze oogen toonden een genegenheid Die zonnig was als liefde in kinderharten, Die nooit door een begeeren werd ontwijd, En vrij van twijfelingen en van smarten. En tusschen ons was slechts de teederheid Der trouw, die ’t al durft om
Sonnetten – II Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht
Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht, Ik wist niet, dat uw mond zoo zoet kon spreken, Klagen en eischen en weemoedig smeeken; Ik kende niet de teêrheid van uw kracht. Nu ben ik in. uw onbedwongen macht.
Lees meer Sonnetten – II Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht
Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood
Er is een liefde bitter als de dood, Meer onverwoestbaar dan des levens machten. En teeder als de maan, die, bleek en rood, Rijst uit den damp der ijle zomernachten. Met ons geboren, toen in blijden nood De moeders ons
Lees meer Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood
Sonnet: Wist gij den dood wel zóó nabij?
Wist gij den dood wel zóó nabij? Zijn schaduwlooze handen Zich voor uw oogen spanden: Doorzichtig web van ijle zij. Nu is het leven u verwaasd : Gelijk verleden dagen Een gouden luister dragen, Is leed tot puur geluk verdwaasd.