Het prinsje

Toen sloegen wijd de glazen deuren open. Snel trad het slanke prinsje op t balkon, Frommelde blozend aan zijn strik en knoopen, Maar lachte helder als de lentezon. En eensklaps lachten al de menschen mede. Toen boog hij dankend, gratievol

De page I

Zijn handen zijn verwend en wit En kostelijk gelijk de zijden Glanzende zachtheid van zijn wijde Kleederen in uitheemschen snit. Boven de strakke kanten kraag, Onder verbaasde wenkbrauwbogen, Is ’t vragen van zijn lachende oogen: Ben ik niet mooi en

De page II

Hij luistert naar zijns heeren hoogee wil, Zonder diens wijze plannen te begrijpen, Maar liefde doet zijn jong vermoeden rijpen, Zijn oogen worden glanzend groot en stil. Een nieuw gevoel is door zijn hart gegaan, En ’s avonds ligt hij