Mijn hart herdacht zijn bitterheden En al zijn liefde wonderlijk. Ben ik aan onverhoorde beden En aan verdrukkingen zoo rijk? En is er niemand om te deelen Den rijkdom van dien last zoo groot? Dit is des harten zeerste nood:
Tag: gedicht aanwezig
De ontmoeting
Tusschen uw oogen en de mijne Was ’t licht anders dan om ons henen, Zachter en van iets teêrs doorschenen: Glanzingen die in glans verdwijnen. Alle verrukkingen: vreugde en weenen Hebben zich in dien glans gevonden; ’t Smachten van ons
O dit ontroeren
O dit ontroeren om een klein gezicht, vredig en goed, onder donkre haren, bruin met goudglans, die de zware streling der handen doet trillen in t licht. Het zoel aandringen van dit gevoelen drijft tot het staamlen van huiverblode woorden,
Schemerliedje
Als de hemel blinkend bleeke En de wereld duister is, Luister ik, waar of uw weeke Ademzacht gefluister is … Dicht aan mijn gezicht gedoken Streelt uw even warme wang. En uw oogen zijn geloken En uw adem is gezang,
Aan een onbekende
Dit is voor u, die ik niet ken. Dit kunnen enkel woorden wezen, Die zeggen, dat ‘k gelukkig ben, Om u, nu ‘k langzaam ga genezen Van ziekte en zorg en zonde en dood.- De wind doet alle misten deinen
Avondliederen I-III
I Het mildë avondlicht werd koel en flauw, De wind bleef fluistrend in de boomen hangen. En gij alleen in ’t veld: der oogen blauw Werd kwijnend goud van ongestild verlangen. De klaver geurde door den witten dauw Zijn zoete
O, dit geluk bij u te zijn!
O, dit geluk bij u te zijn En al t andre te vergeten. Alleen te leven van het weten: En ik ben de uwe en gij zijt mijn! En geen verdriet of wensen meer; Een vreê, waaruit men niet kan
Het prinsje
Toen sloegen wijd de glazen deuren open. Snel trad het slanke prinsje op t balkon, Frommelde blozend aan zijn strik en knoopen, Maar lachte helder als de lentezon. En eensklaps lachten al de menschen mede. Toen boog hij dankend, gratievol
De page I
Zijn handen zijn verwend en wit En kostelijk gelijk de zijden Glanzende zachtheid van zijn wijde Kleederen in uitheemschen snit. Boven de strakke kanten kraag, Onder verbaasde wenkbrauwbogen, Is ’t vragen van zijn lachende oogen: Ben ik niet mooi en
De page II
Hij luistert naar zijns heeren hoogee wil, Zonder diens wijze plannen te begrijpen, Maar liefde doet zijn jong vermoeden rijpen, Zijn oogen worden glanzend groot en stil. Een nieuw gevoel is door zijn hart gegaan, En ’s avonds ligt hij