De verjaardag

Wat kan het hart van een jongen verukken? Buitn: wild spelen en de buit Van zongestoofd roodgloeiend fruit, Waarvan hij heden vrijelijk mag plukken. Thuis: de feestlijk witte damasten disch; Zilver, kristal, gebak! Schittrende lichtgolven Houden zijn duizlend denken bedolven.

De schooier

Voor Ernst Groeneveld Hij slenterde de huizen langs. De oogen, waarin iets woests en bangs Vruchteloos saem te vloeien leek, Als men nieuwsgierig naar hem keek, Terneergeslagen; maar zijn kop Rukte zich trots en toornig op. Zoo, tartend, als de

De stervende

Zijn slapen was een duizelend verzinken Naar diepten van doods duistren kouden pool. Rond zich zag hij een gruwelijke school Van geesten als lichtende visschen blinken. Loeide daar de sirene van een schip? Even schokte hij wild en angstig wakker.

Het offer

God, wat maakt Gij uw eischen schriklijk zwaar! ‘Offer uw zoon! uw eengen! dien gij mint!’ Telkens die stilten, of Ge U nog bezint, En dan, vreeselijk snel, als een gevaar Komt, plots, de bangverwachte naam van ’t kind. –

Dirk Bouts

Hij is een van die vrome primitieven, Die ’t aardsche hard en onbeholpen schildren, De wereld kan hun harten niet verwildren, Die op ’t gelaat der Moeder Gods verlieven. Zie zijn zoet boeten van de zondares, Zooals geen mensch zich

Avond

Zij zaten in de lage luie-stoelen, Dronken genietend de chineesche thee, Staarden den tuin in, en dan naar de koele Verborgenheid der duisterende allee. Zij speelde met haar flonkerende ringen, Waar de avond irriseerend in verglom. Zij dacht aan zoete

Liedje

’t Zal eenmaal door mijn liederen slaan Alsof, een lentemorgen, De vogelen al te zingen gaan In lucht en loof verborgen. Dat kwinkt en kwettert frank en frisch Nabij en ver verdoken. Dat komt omdat het voorjaar is In bloesems

Uw naam

Wanneer mijn lied mag leven na mijn dood, Zal onze liefde niet vergeten wezen. Ons zwakke hart mag voor het sterven vreezen, Maar nooit vergaat wat zuiver is en groot. De wereld wentelt zich in stillen nood, Wijl stormen licht

Egoïsme

Wat is het ons of werelden vergaan En als dun stof door ’t wijd heelal verstuiven, Of zonnestelsels door elkander schuiven. Wij zien, gerust, dezelfde sterren staan. Wij voelen even de adem angstig gaan, Als ons de pauwestaart komt overhuiven