Avonden

Wonderlijke avonden, ’t is of de wereld Een oogenblik zijn gonzend wentlen stilt. En als een roos met witte dauw bepereld, Zachtjes bewegend in Gods handen trilt. ’t Geluid dat lang verrimpelde verrilt. Er is alleen wat geur die opwaarts

Sterven

Dat mijn begeerten nog zoo dikwijls zwerven En ik in u mijn eenig heil niet zie! Droomgerige oogen en de melodie Van zoete stemmen zoek ik te verwerven. Ach, wat zal ’t baten als ik straks ga sterven, Die vreeslijke

Luieren

Ik lig de hele dag zalig languit Te dromen en gerust op u te wachten. Verlangen heeft mijn denken iets gekruid, Precies genoeg om met plezier te smachten. Ik luier feestlijk, mijn lichte gedachten Bewegen zich om fris en geurig

Genieten

‘k Geniet den ijlen geur der bloemen feller Hoe meer ik ’t eind van dit kort leven ducht. Gulzig betast, verfijnd proef ik de vrucht. Ik zie den glans van alle dingen scheller. Mijn oogen lachen inniger en heller Tegen

Eentonigheid

’t Is elken dag hetzelfde: wat kan ik Dan uw trouw mededogen eer bewijzen? Bewogen stamelend uw schoonheid prijzen? Tijd werd mij één lofzeggend oogenblik. Mijn oogen kennen ’t duister van den nacht Niet meer, noch dageraads vertroostend schijnen. Donker