Dit is het bitterste: als ’s begint te dagen En ’t hart krampt van de vreeselijke pijn! Als doffe bonzingen en ’t snelle jagen van ’t bloed ’t dan springend en dan stil doet zijn. Dan schicht het leven met
Auteur: Helma
Avonden
Wonderlijke avonden, ’t is of de wereld Een oogenblik zijn gonzend wentlen stilt. En als een roos met witte dauw bepereld, Zachtjes bewegend in Gods handen trilt. ’t Geluid dat lang verrimpelde verrilt. Er is alleen wat geur die opwaarts
Sterven
Dat mijn begeerten nog zoo dikwijls zwerven En ik in u mijn eenig heil niet zie! Droomgerige oogen en de melodie Van zoete stemmen zoek ik te verwerven. Ach, wat zal ’t baten als ik straks ga sterven, Die vreeslijke
Luieren
Ik lig de hele dag zalig languit Te dromen en gerust op u te wachten. Verlangen heeft mijn denken iets gekruid, Precies genoeg om met plezier te smachten. Ik luier feestlijk, mijn lichte gedachten Bewegen zich om fris en geurig
De vlucht
Ik weet het wel, ’t is alles spel geweest, Eer dat ik uw genade had gevonden, Nu ben ik vrij van zotternij en zonden, En hef mijn oogen tot u onbevreesd. Hoe walgt mij werelds weelderige feest, Waar ziel en
Genieten
‘k Geniet den ijlen geur der bloemen feller Hoe meer ik ’t eind van dit kort leven ducht. Gulzig betast, verfijnd proef ik de vrucht. Ik zie den glans van alle dingen scheller. Mijn oogen lachen inniger en heller Tegen
De wandeling
De avond verrees zoo teeder perelgrijs, De maan glom als een lamp in een warande, Ik voelde ’t bloed warm kloppen in uw handen Ver scheprte een man de sneê der zatte zeis. Achter ons zongen op een wufte
Eentonigheid
’t Is elken dag hetzelfde: wat kan ik Dan uw trouw mededogen eer bewijzen? Bewogen stamelend uw schoonheid prijzen? Tijd werd mij één lofzeggend oogenblik. Mijn oogen kennen ’t duister van den nacht Niet meer, noch dageraads vertroostend schijnen. Donker
Ik heb u lief
Ik heb u lief, gij zult gelukkig zijn! Zo fluister ik, alleen, in staag herhalen, En door mijn denken komt met vlagen dwalen Van liefdes volkslied het oeroud refrein. De meisjes zingen ’t in de maneschijn Met brede slingers wandlend
In den avond
En dan ga ik met al mijn leed Den schemerenden avond binnen, En alle waanzin van beminnen Valt van mij als een lastig kleed. ’t Bloed deint zoo rustig en zoo breed Van golving door mijn hart; de zinnen Zijn