Pharao

Volkeren hebben zich ontzet gebogen. Ik nam hun vleesch en bloed, hun moeilijk weenen, Om aan mijn naam den donkren glans te leenen Die sloeg uit hun gebroken woedende oogen. Mijn groote dood werd langzaam opgetogen Door hun klein sterven,

Memlinck

De weeldrigheid van werelds hooggetijden Gleed als een glimlach langs zijn kalm gemoed. Er rees geen oproer in zijn kuische bloed. Hij was gelukkig in devoot verbeiden. Tot Gij verscheent, om nooit van hem te scheiden! ‘Gebenedijde Moeder, wees gegroet!

Madonna

Liefde is haar nog niet genaderd. Nog vloeit er geen warm verlangen Door den stroom van haar gebed, En haar sâamgevouwen handen Duiden willige overgave, Maar geen vragen: kom tot mij. Doch Gods liefde is rondom haar. In de ijle

Herfst

Er is een geur in de wereld gekomen, Die er vroeger niet was. Zieker dan ’t rieken van welke boomen En rottend gras. Alles is van een vreemd bederf Licht aangestoken. In liefste dingen is het versterf Sterkst uitgebroken. Overal

Berouw

U heb ik ’t eerst en meest bemind, Al dacht ik dikwijls U te haten. Gij troost mij, nu ik ben verlaten, Voor al mijn dwaze driften blind. Ik heb in wrevel U geweerd. Gij komt in weedom mij omvangen.

Gij en ik

Ik weet de wereld niet, gij zijt alleen. En wat er in de ruimte moog gebeuren, ’t Is slechts een gobelin van stille kleuren, Dat wiss’lend schuift achter uw leven heen. Dagen en nachten, lachen en geween, Het voorjaar met

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren, Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg, En als je handen dan met groote zorg Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren, Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden