Volkeren hebben zich ontzet gebogen. Ik nam hun vleesch en bloed, hun moeilijk weenen, Om aan mijn naam den donkren glans te leenen Die sloeg uit hun gebroken woedende oogen. Mijn groote dood werd langzaam opgetogen Door hun klein sterven,
Auteur: Helma
Memlinck
De weeldrigheid van werelds hooggetijden Gleed als een glimlach langs zijn kalm gemoed. Er rees geen oproer in zijn kuische bloed. Hij was gelukkig in devoot verbeiden. Tot Gij verscheent, om nooit van hem te scheiden! ‘Gebenedijde Moeder, wees gegroet!
Madonna
Liefde is haar nog niet genaderd. Nog vloeit er geen warm verlangen Door den stroom van haar gebed, En haar sâamgevouwen handen Duiden willige overgave, Maar geen vragen: kom tot mij. Doch Gods liefde is rondom haar. In de ijle
Herfst
Er is een geur in de wereld gekomen, Die er vroeger niet was. Zieker dan ’t rieken van welke boomen En rottend gras. Alles is van een vreemd bederf Licht aangestoken. In liefste dingen is het versterf Sterkst uitgebroken. Overal
In het voorjaar I, II
I Nu worden alle harten weder jong En wrang, als ’t late geuren der seringen. Er ligt melancholie in alle dingen, In alles wat men vroolijk floot of zong. De jongens praten ruwer nu zij ’t bloed Driftig door sterke
Berouw
U heb ik ’t eerst en meest bemind, Al dacht ik dikwijls U te haten. Gij troost mij, nu ik ben verlaten, Voor al mijn dwaze driften blind. Ik heb in wrevel U geweerd. Gij komt in weedom mij omvangen.
In de oude stad
Uw gouden oogen in de grijze stad Gaven een glans aan overoude dingen. Zij kwamen ons zoo klaar en gaaf omringen Als kindren na het koele morgenbad. Hoofden wendden zich naar u om, een vlam Sloeg plotsling op in duistere
Gij en ik
Ik weet de wereld niet, gij zijt alleen. En wat er in de ruimte moog gebeuren, ’t Is slechts een gobelin van stille kleuren, Dat wiss’lend schuift achter uw leven heen. Dagen en nachten, lachen en geween, Het voorjaar met
Het oerwoud
Het doet al vreezen: uit de groene wanden Loert stil het fel gevonk van brandende oogen. De lucht trilt van één zwaren gons doorvlogen, En bloemen staan als giftig vuur te branden. Wordt ’t leven langzaam uit ons weggezogen? De
Je haar
Nu denk ik aan het geuren van je haren, Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg, En als je handen dan met groote zorg Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren, Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden