Hij kent de zee en haar vervaarlijk stroomen, ’t Zwermen der sterke sterren door de lucht, En is zeer voor de zilvren maan beducht, Wier stille macht de vloeden hoog doet komen In de eindeloosheid zijner heldre droomen Is heel
Auteur: Helma
De jonge zeeman I
Elk volgt de fluisteringen van zijn bloed. Uw oogen zien de blauwe paradijzen Der ziel zoo heerlijk in de lucht verrijzen Dat gij den weg daarheen wel volgen moet. Dáárom deint ’t ruischen van de zee zoo zoet Uw hart
De soldaat
Bloed kampt met bloed en geest strijdt tegen geest. De handen kunnen slechts hun werk volbrengen. Wiens voelen schroeit, wiens denken kan verzengen, Viert nu of straks ’t bewimpeld zegefeest. Alles moet opgeofferd, ’t liefst bezit Wordt weggerukt en zinneloos
De gravin
Zij zat voor ’t hooge venster naast haar gade. Hun pages speelden op ’t beschaduwd plein En schoten door de stralen der fontein En in de boomen rond de esplanade. Eén hief lachend ’t gelaat ter kemenade En bloosde, toen
Monsieur le marquis
Hij ligt des morgens lang in ’t weeke bed, Krank van melancholie en vage pijnen. Het daglicht moet gedempt naar binnen schijnen. De luiken zijn ten smallen kier gezet. Zacht neuriet hij een hoofsche menuet En voelt genietend na dans’lichte
Le parfum d’Aiol
De woestenij is geel als tijgeroogen, Brandend en trillend, of de vlammen plots Uit zullen laaien, en de winden Gods Doen vreeselijk haar droge koorts verhoogen. De kleine oase ligt, een blauwe droom, Koel in den heeten onrust van haar
Le parfum: la forêt de Carabas
Er bloeien duizend bloemen in het bosch, Wier geuren tot één zoet parfum verglijden, Waardoor men zich om alles kan verblijden, Zalig den tijd verluierend op ’t mos. De lucht is helderblauw en vogels zingen Bij ’t stuivend kwinkeleeren der
Le parfum du Marquis de Carabas
Le parfum du Marquis de Carabas. Zijn lange welverzorgde witte handen, Die lusteloos uit fijne kanten reikten, Met keur van flonkerende ringen prijkten, Voelde hij heet als harsge houten branden. Hij bette ze in een koel glazuren kom, En dacht:
De auto-rit
Wij hadden door de bosschen rondgereden, Beschut voor ’t valsche schitteren der zon. De motor gromde als hij een hoogte won, En joeg dan lichter tuffend naar beneden. Wij suisden door de zwarte heimlijkheden Van wegen, waar men nauwlijks rijden
De mandolinespeler
Bij den klank der klare mandoline Zingt zijn warme stem den avond uit, De verrukkingen om ongeziene Weelden kwinklen in zijn zoet geluid. Als een zoeklicht, uit zijn fulpen oogen, Schiet hij, fel en vleiend, lonk en straal, Dan, wijd