De soldaat

Bloed kampt met bloed en geest strijdt tegen geest. De handen kunnen slechts hun werk volbrengen. Wiens voelen schroeit, wiens denken kan verzengen, Viert nu of straks ’t bewimpeld zegefeest. Alles moet opgeofferd, ’t liefst bezit Wordt weggerukt en zinneloos

De gravin

Zij zat voor ’t hooge venster naast haar gade. Hun pages speelden op ’t beschaduwd plein En schoten door de stralen der fontein En in de boomen rond de esplanade. Eén hief lachend ’t gelaat ter kemenade En bloosde, toen

De auto-rit

Wij hadden door de bosschen rondgereden, Beschut voor ’t valsche schitteren der zon. De motor gromde als hij een hoogte won, En joeg dan lichter tuffend naar beneden. Wij suisden door de zwarte heimlijkheden Van wegen, waar men nauwlijks rijden