Zullen wij samen niet het veld in gaan En naar den waakschen zomervogel hooren, Die boven ’t zachte ruischen van het koren Zijn vreemde weeke liederen komt slaan? Zoo innig als geliefde’ omstrengeld staan En in hun overgave elkander schoren,
Auteur: Helma
In den tuin
Geldersche rozen met hun koele Ballen lichten den hemel toe. Seringen waaien paarse zoele Geurige schaduwen, gril en moe. Aan tengre boompjes, haast nog schuil, De witte zuiverheid der rozen; Midden in hun half open tuil Besluiten zij hun schuchter
Carpe diem
‘k Heb dezen dag zoo traag en fijn genoten Als kinderlipjes zuigen aan een vrucht En dan lang nagenieten met een zucht, Als ’t laatste sap hun keeltje is ingespoten. Hun handen streelden ’t goudfluweelen dons … In hun zachtgloeiende
Uw gezicht
Een heilge, licht- op donkergoud gemaald, Zag ik u in den diepen zomeravend. De wereld leek zoo oud en zoo gehavend, Bij uw gelaat scheen ’t stille licht vervaald. En ‘k dacht aan die verweerde mozaïeken, Waar ’t zachte glanzen
De zonnewende
Ik kan niet opzien, of uw licht gelaat Rijst als een zon voor mijn aandachtige oogen. En als ik mij tot ’t boek heb neergebogen, Is ’t of het al in blauwen schaduw staat. Ik ben als een, die in
Invocatio
Spreek maar een woord, en ‘k zal genezen, Geef mij uw hand, en ‘k bén gezond. En bitterheid zal blijdschap wezen, Kust mij uw mond. Er is in dit gebonden leven Slechts klank van ketenen voor mij. Maar wilt gij
De brief
Het zijn de woorden niet, maar ’t is de geest, Die onweerstaanbaar door zijn ijle koelte Stuwt naar de sferen van de zon’ge zoelte, Waar gij met uw gevoelen zijt geweest. Bij ’t roezelig beginnen van een feest Bevangt mij
Liedje
Heel den avond bracht ik zoek, Kijkend naar die warme prenten Die, als eensklaps volle lente, Prijken in het perkamenten Saaie achttiendeeuwsche boek. En ik dacht: wat is dit licht! Wat is dit verfijnd en krachtig! Hoe eenvoudig en hoe
De zoeker
Mijn zoekend zwerven werd slechts dwalen. Voor , zoeken is mijn ziel te mat. De diep-ontroerende verhalen Van liefdes land en lichte zalen Hoorde ik in aller menschen talen, Maar ieder wees mij ander pad. Ik ging elks weg; terzelfder
Aan de stilte
Die de Moeder zijt der ongetroosten, Geen, die eenzaam is, alleenig laat, Uw gelaat verteedert voor de bloôsten, Stelt uw goedheid tegen hunnen haat, Of zij u niet kennen, noch beminnen, Eigenwillig zelf zich troost verzinnen, Hen toch nooit verlaat;