Toorop

Nu heeft de ziel Gods dageraad, Zoo lang verwacht, gevonden. Uit neveling van zonden Rijst altijd weder Gods gelaat. Zijn smartelijke liefdegang Voert haar in ’t dal der rozen, Die bloedbedruppeld blozen, En cieren ziel haar leven lang. Zij doet

August von Platen

Altijd verlangen naar een zacht gelaafd-zijnEn voelen liefde als een onweêr komen,Worstelen om het leven van een vrome,En aan de zonde schuldeloos verslaafd zijn. Naadrend in liefde en altoos uitgestooten,Rein, en verdacht van smadelijk bedoelen,Blozend om ’t eigen maagdelijk gevoelen,Maar

Fra Angelico

Deze engelen in gouden luchten Waren anders niet dan ’t argeloos en licht Ademen van zijne ziel en zuchten Sidderende naar Gods aangezicht. In hem rees hun wonderlijk verschijnen En hun ijl vervluchten als een geur. Toen werd eensklaps zijn

De page II

Hij luistert naar zijns heeren hoogee wil, Zonder diens wijze plannen te begrijpen, Maar liefde doet zijn jong vermoeden rijpen, Zijn oogen worden glanzend groot en stil. Een nieuw gevoel is door zijn hart gegaan, En ’s avonds ligt hij

De page I

Zijn handen zijn verwend en wit En kostelijk gelijk de zijden Glanzende zachtheid van zijn wijde Kleederen in uitheemschen snit. Boven de strakke kanten kraag, Onder verbaasde wenkbrauwbogen, Is ’t vragen van zijn lachende oogen: Ben ik niet mooi en